Het Nabije Oosten
In de Nabije-Oostenzaal zijn voorwerpen uit verschillende culturen uit het gebied tussen Turkije en Iran bijeengebracht. In het gebied van herkomst zijn rond 3500 v. Chr. de vroege beschavingen ontstaan. Dit was onder andere het gevolg van de natuurlijke omstandigheden. De twee rivieren die het huidige Irak doorsnijden, de Eufraat en de Tigris, moesten gebruikt worden voor irrigatie, wilde het dorre land vruchtbaar worden. Daarvoor was centrale organisatie een noodzaak. Het schrift werd ontwikkeld en er ontstond een monarchie met een ingewikkeld ambtenarenstelsel. Dit alles vond plaats in de Sumerische periode. De Sumeriërs waren een volk dat rond 2900 voor Chr. het Tweestromenland, Mesopotamië, vanuit het zuiden binnendrong. Hun cultuur heeft alle latere beschavingen in dit gebied sterk beïnvloed: de vele invallers werden verjaagd of gingen op in de bevolking van het gebied. De verschillende stadstaten die achtereenvolgens een overheersten, waren opvallend uniform in cultuur. Assur en Babylon zijn bekende voorbeelden van zulke steden: van de eerste is de term Assyrië afgeleid, van de tweede Babylonië.
De macht van Assur en Babylon nam langzamerhand af na de zeventiende eeuw voor Chr., toen een relatief nieuwe bevolkingsgroep, de Hittieten, haar grondgebied uitbreidde vanuit Klein-Azië richting Mesopotamie. Ook de Hittieten lieten zich door met name de Assyriërs beïnvloeden; via hun rijk, dat ver naar het Westen doorliep, kwam veel van de Mesopotamische cultuur bij bijvoorbeeld de Grieken terecht. Toen het Hittitische Rijk verzwakte door de twaalfde-eeuwse invasies van een groep van niet geheel bekende volkeren, -zij worden de Zeevolkeren genoemd- grepen de Assyriërs hun kans en bouwden een nieuwe machtspositie op. Deze duurde voort tot aan de zevende eeuw voor Chr., toen de Perzen hen versloegen. Zij werden op hun beurt verslagen, eerst met een gevoelige klap van de Grieken in 479 voor Chr., toen zij Griekenland trachtten te veroveren, en uiteindelijk door Alexander de Grote. Het grootste deel van diens rijk viel later in Romeinse en tenslotte in Byzantijnse handen.
De gebieden waaruit de voorwerpen afkomstig zijn liggen ver uit elkaar en ondanks de verenigende werking van de grote rijken waarbinnen ze vielen, blijven de lokale verschillen groot. Uit Mesopotamië komen kleitabletten met spijkerschrift en prachtig uitgesneden rolzegels, waarvan de afdruk in klei diende als label en zegel tegelijk.
Iran is vertegenwoordigd met een collectie zeer dunwandig aardewerk uit Amlash, uit de periode 1350-1000 voor Chr. De vormen zijn vaak aan de dierenwereld ontleend: vogel, ram of hert.
Verder bezit het museum Iraanse sieraden van goud met kornalijn en lapis lazuli. Uit Loeristan komen bronzen wapens, sieraden en beslag voor paardentuig, uit Anatolië bronzen mantelspelden, stenen en aardewerken idolen.
De Universiteit van Amsterdam heeft in de jaren '70 gegraven in Selenkahiye, een nederzetting uit 2400-1900 v. Chr. in Syrië. Een deel van de vondsten, terracotta idolen, sieraden en vaatwerk, is door de Syrische autoriteiten overgedragen aan de Universiteit en geëxposeerd in het museum.