Logo van de UvA

Amsterdams Centrum voor de Studie van de Gouden Eeuw

Archief

Activiteiten

 
colloquia
Het Centrum organiseert sinds februari 2001 maandelijks een colloquium. Het colloquium is bedoeld om deelnemers aan het Centrum en andere onderzoekers op het gebied van de Gouden Eeuw gelegenheid te bieden hun lopende onderzoek te presenteren en ter discussie te stellen. Tevens moet het functioneren als ontmoetingsplaats voor alle onderzoekers op het gebied van de Gouden Eeuw in Amsterdam en elders.

De volgende colloquia zijn georganiseerd:

  • in 2011
    • 9 juni, Ann Jensen Adams: A discussion of her book, Public Faces and Private Identities in Seventeenth-Century Holland: Portraiture and the Production of Community, with a few additional comments on her current research on Thomas de Keyser.
      Plaats: Nina van Leerzaal, Allard Pierson Museum, Oude Turfmarkt 127, Amsterdam.
      Voertaal: Engels
      Toelichting:
      Among painting genres, portraiture holds a special place. Rarely produced for the market, portraits were a collaboration between the artist, patron, and viewer. More than most genres, portraits were valued for their apparently documentary value, imaginatively presenting an actual person purportedly created in their time and space to a supposed viewer, engaging it in his or hers. The portrait thus implies an imaginative transaction not between a viewer and an event or ideas, but a dialogue between individuals: the viewer and the portrayed – a transaction whose power might even be increased by its aesthetic value. These transactions potentially engage, however, personal interests, social networks, and contemporaneous cultural issues. Produced within and viewed by individuals embedded in personal and social networks, their imagery may be investigated for the symbolic capital and strategic alliances they produce, for personal, social, cultural, economic or political ends.

      Portraits were painted in the 17th-century Netherlands for a larger number of individuals, across a broader social spectrum, than in previous centuries or elsewhere in Europe, in a rapidly changing society. Through a series of detailed case studies, this book identifies a variety of portrait formats, images, and devices in four portrait genres: the three-quarter length life-sized portrait, the family portrait, the civic guard group portrait, and the portrait historié. Drawing upon a broad range of supporting data - inherited visual traditions, contemporary art theory, changing cultural beliefs about the body, sight, and the image itself, and current events - it argues that portraits actively engage in identity formation not only of their subjects but also of their viewers, potentially producing both personal as well as communal identities. Arguing that as individuals became unmoored from traditional sources of identity such as familial lineage, birthplace, and social class, portraits helped them to find security in a self-aware subjectivity and helped to structure the evolving social institutions of the Dutch Golden Age.

      Ann Jensen Adams, Associate Professor in the Department of the History of Art and Architecture, University of California at Santa Barbara, is a specialist in 17th-century Dutch painting, particularly portraiture. Her publications include Public Faces and Private Identities in Seventeenth-Century Holland: Portraiture and the Production of Community (Cambridge 2009), an edited volume of essays Rembrandt’s Bathsheba Reading King David’s Letter (Cambridge 1998), Dutch and Flemish Paintings from New York Private Collections (National Academy of Design, 1988), and a forthcoming monograph on the Amsterdam portrait painter Thomas de Keyser. Fellowships include from the National Science Foundation, the National Endowment for the Humanities, the Ministry of Education and Science (The Netherlands), The Metropolitan Museum of Art, and the J. Paul Getty Trust. Most recently she has been a Scholar at the Getty Research Institute, a visiting Research Professor at the Onderzoekinstituut voor Geschiedenis en Cultuur, Universiteit Utrecht, and is currently a Faculty Exchange Professor in the Departement Geschiedenis en Kunstgeschiedenis, Universiteit Utrecht.
    • 26 mei, Claudia Swan: Exoticism at Work: Collecting and Exchanging ‘Rariteyten’ in the Netherlands 1600-1650
      Plaats: zaal 4.01, Bungehuis, Spuistraat 210, Amsterdam.
      Toelichting:
      On the one hand, the term "exotic" signified nothing more than "foreign" or non-native in the early modern era. And on the other hand, the cultivation of and representation of foreign and other or unknown and unfamiliar goods and entities in, for example, the seventeenth century in the Netherlands, articulate power relations, epistemological limitations, and artistic ambitions. This paper considers the role and function of the exotic (the foreign) in the Netherlands in the early years of global exploration and trade (1600-1650), as articulated in paintings, prints, drawings and by the exchange of objects (from ivory setees carved of Congolese ivory in Brazil to birds of paradise presented by the States General to the Sultan in Constantinople).

      Claudia Swan (PhD Columbia University) is an Associate Professor in the Department of Art History at Northwestern University. She is the author of Art, Science, and Witchcraft in Early Modern Holland: Jacques de Gheyn II (1565-1629) (Cambridge University Press 2005), which studies the intersection of empiricism and witchcraft in Holland in the early seventeenth century through the lens of de Gheyn’s work. Swan is also co-editor (with Londa Schiebinger) of Colonial Botany: Science, Commerce, Politics (University of Pennsylvania Press 2004); and the author of The Clutius Botanical Watercolors (Harry N. Abrams 1998). Swan has been a member at the Institute for Advanced Study in Princeton and a fellow at the Max Planck Institute for the History of Science in Berlin; and is currently in residence at the Netherlands Institute for Advanced Study (2010-2011). Professor Swan is presently working on two books. One is a brief history of the imagination, and the other, The Aesthetics of Possession: Art, Science, and Collecting in the Netherlands 1600-1650, brings together four studies on Dutch early modern material culture, the market, and epistemology. She has published several articles on Dutch visual culture.
    • 19 mei, Yolanda Rodríguez Pérez: De Amsterdamse Spanjaard: een 17de- eeuwse roman en de constructie van een Nederlands nationaal verleden
      Plaats: Belle van Zuylenzaal, UBA, Singel 425, Amsterdam.
      Toelichting:
      In 1671 verscheen in Amsterdam Des werelds hel en vagevuyr begrepen onder 't leven van den Amsterdamschen Spanjaart, een roman over het bewogen leven van een Amsterdamse koopmanszoon die in Spanje is opgegroeid. Zijn avonturen zijn talrijk. Hij reist over de hele wereld en beleeft enkele 'magische' ervaringen of 'droomgezichten' in holen en ondergrondse gebieden. Alhoewel het werk gepresenteerd wordt als 't'zamengesteld en uyt het Spaans vertaalt door G. De Bay', is het alleen gedeeltelijk een vertaling uit het Spaans. Het is een uitgelezen voorbeeld van de combinatie van translatio-imitatio-emulatio in de vroegmoderne tijd. G.de Bay kennen we al als auteur van 't Leven en bedrijf van Duc d’Albas Hondt (1658), waarin hij ook een enigszins vergelijkbare combinatie hanteerde. De AS laat ons zien hoe het proces van culturele transfer tussen Spanje en de Republiek in een nog steeds weinig bestudeerd genre, de Nederlandse roman, gestalte kreeg. De Bay maakt gebruik van Spaanse topauteurs van de tijd zoals Quevedo en Pérez de Montalbán, maar produceert een eigenzinnige Nederlandse roman waarin hij ook een bepaald beeld van de Republiek en haar gedeelde verleden met Spanje presenteert.

      Yolanda Rodríguez Pérez is universitair docent bij Europese Studies (Universiteit van Amsterdam). Zij studeerde Moderne Filologie aan de Universidad Complutense van Madrid en Nederlandse Taal- en Letterkunde (Historische Letterkunde) aan de Universiteit Utrecht. In haar dissertatie, De Tachtigjarige oorlog in Spaanse ogen (2003) bestudeerde ze de Spaanse beeldvorming over de bewoners van de Nederlanden tijdens de Nederlandse Opstand en de interactie met het eigen Spaanse nationale zelfbeeld. Tussen 2003 en 2010 was ze als universitair docent verbonden aan het Departement Moderne Talen van de Universiteit Utrecht. Haar onderzoek concentreert zich voornamelijk op processen van 'cultural transfer' tussen Spanje en de Nederlanden in de vroegmoderne tijd, met name op literair gebied, en op natie- en beeldvormingsprocessen.
    • 7 april, Gabri van Tussenbroek: Het hout van de Gouden Eeuw. Amsterdams bouwhout als materiële bron voor historisch onderzoek
      Plaats: VOC-zaal, Bushuis, Kloveniersburgwal 48, Amsterdam.
      Toelichting:
      Voor de bouw van Amsterdam zijn enorme hoeveelheden hout gebruikt. Aanvankelijk waren de huizen grotendeels van hout, maar ook later, toen huizen in steen werden opgetrokken werden er nog steeds massa’s hout gebruikt voor funderingen, balklagen, vloerhout, trappen en kappen. Al dat hout kwam niet uit de directe omgeving, maar werd in de loop van de geschiedenis van steeds verder weg gehaald. Nog bewaard gebleven bouwhout is een belangrijke historische bron voor de bestudering van de geschiedenis van de stad. Dit geldt voor de datering van individuele panden door middel van dendrochronologisch onderzoek, maar ook voor inzicht in de herkomst van hout. De houthandel was voortdurend in beweging en toont verschuivende patronen, die betrekking hebben op de conjunctuur van herkomstgebieden. Een ander aspect dat in de lezing aan de orde zal komen is het gebruik van het hout in de stad, met name tijdens de Derde Uitleg, toen de vraag in korte tijd enorm steeg. In dit verband zal worden gekeken naar aspecten als kwaliteit en hergebruik van hout in de Derde Uitleg, in verhouding tot het houtgebruik in de stad in het laatste kwart van de zestiende eeuw.

      Gabri van Tussenbroek (1969) studeerde mediëvistiek aan de Universiteit van Utrecht en werkte in opdracht van NWO aan zijn proefschrift over natuursteenhandel tussen de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden in de zestiende en zeventiende eeuw. Na vier jaar als postdoc aan de TU Berlin te hebben gewerkt is hij sinds 2005 bouwhistoricus bij Bureau Monumenten & Archeologie van de gemeente Amsterdam. Hij publiceert regelmatig over onderwerpen die betrekking hebben op de bouwhistorie en over de geschiedenis van Amsterdam, waaronder het in 2009 verschenen Amsterdam in 1597. Kroniek van een cruciaal jaar (2e dr. L.J. Veen, Amsterdam 2010).
    • 3 maart, Donna R. Barnes (Hofstra University, New York): Inquiring into 17th-Century Dutch Art and Life
      Ter gelegenheid van de tentoonstelling Smakelijk eten! Eten en drinken in de Gouden Eeuw in het Westfries Museum te Hoorn.
      Plaats: Nina van Leerzaal, Allard Pierson Museum, Oude Turfmarkt 127, Amsterdam.
      De voeraal is Engels
      Meer over de tentoonstelling ...
      Toelichting:
      In haar lezing zal Donna R. Barnes ingaan op de volgende vragen:
      1. What inquiry strategies yield information about detailed aspects of daily life in 17th-century Holland?
      2. Which dimensions of 17th-century Dutch life are captured in works of art: paintings, prints, and drawings?
      3. What surprises are found?
      4. How might the resulting information be shared with others?
      5. What continues to puzzle this inquirer?
      Donna R. Barnes is Professor of Education at Hofstra University, Hemstead, New York. She has done research into the educational functions of museums in Europe and the United States for more than 30 years. That research has informed her teaching of the museum education course at Hofstra University. Furthermore Donna R. Barnes has done research into 17th-century Dutch art and daily life for more than 25 years. Much of that research resulted in serving as guest curator for Dutch art exhibitions, and preparing exhibition catalogs and publications.

      Selection of Barne's curatorial work
      Hofstra University Museum, Hempstead, New York: 1991 - Street Scenes: Leonard Bramer’s Drawings of 17th-century Dutch Daily Life; 1995 - The Butcher, The Baker, The Candle-stick Maker: Jan Luyken’s Mirrors of 17th-century Dutch Daily Life; Amsterdam Historical Museum: 1997 - Playing, Learning, Working in the Golden Age: Life According to Jan Luyken; Westfries Museum, Hoorn: 2010/11 - Smakelijk Eten! Eten en drinken in de Gouden Eeuw
  • in 2010
    • 4 november 2010, Nils Büttner (Staatliche Akademie der Bildenden Künste Stuttgart), Illuminating maps. What Vermeer's maps tell us about early modern life, art and moral
      Plaats: Bungehuis, zaal K.02, Spuistraat 210, Amsterdam.
      Toelichting:
      In ten of the twenty-three extant domestic interiors by Jan Vermeer, we see maps, globes and other objects that refer to geography. What can those paintings tell us about the early modern usage of maps and about the ideas and concepts connected to those objects at that time? Does this reference contain a moral? Is it possible to interpret the paintings by Vermeer, and should we interpret them? An attempt at answering these questions will be made by Professor Nils Büttner (Stuttgart) who recently published a biography about Jan Vermeer.

      Nils Büttner (1967) bekleedt de leerstoel voor middeleeuwse en vroegmoderne kunstgeschiedenis aan de Akademie der Bildenden Künste te Stuttgart. Zwaartepunten in zijn onderzoek zijn de Duitse en Nederlandse vroegmoderne kunst- en cultuurgeschiedenis en de geschiedenis van de grafiek en de boekillustratie. Enkele van zijn publicaties: Jacob van Ruisdael in Bentheim. Ein niederländischer Maler und die Burg Bentheim im 17. Jahrhundert. Bielefeld 1993; Ryszard Stryjek als Zeichner und Radierer, Lüneburg 1993; Die Erfindung der Landschaft. Landschaftskunst und Kosmographie im Zeitalter Bruegels, Göttingen 2000; Peter Paul Rubens. Barocke Leidenschaften, München 2004; Herr P. P. Rubens. Von der Kunst, berühmt zu werden, Göttingen 2006; Rubens, München 2007; Gemalte Gärten, München 2008; Vermeer, München 2010.
    • 7 oktober 2010, prof.dr. Steven Nadler, Spinoza, Maimonides and Prophecy
      Toelichting:
      In this lecture, we will look at Spinoza's theory of prophecy, and particularly the way in which he naturalizes the prophetic 'gift'. What is striking (and usually overlooked) about Spinoza's account is that, despite his strong criticisms of Maimonides in the Theological-Political Treatise, both his naturalism about prophecy and his puzzling claims about the prophet's epistemic advantages, show us how Spinoza adopts many important features of Maimonides' view of prophecy.

      Steven Nadler is the William H. Hay II Professor of Philosophy at the University of Wisconsin-Madison, where he has been teaching since 1988. He is also a faculty member of the university’s Mosse/Weinstein Center for Jewish Studies, and the editor of the Journal of the History of Philosophy. He has been a visiting professor at Stanford University, the University of Chicago, and the Ecole des hautes études en sciences sociales (Paris), and the holder of the Spinoza Chair at the University of Amsterdam. Nadler is a specialist in the history of early modern philosophy and in medieval and early modern Jewish philosophy.
    • 3 juni, Afscheidssymposium ter ere van dr. Lodewijk Wagenaar
      Ongeveer tien jaar heeft dr. L.J.Wagenaar vanuit zijn baan als conservator bij het Amsterdams Historisch Museum ook als privaatdocent gewerkt aan het Onderwijsinstituut Geschiedenis van de Faculteit der Geesteswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam – hij spreekt zelf wel eens over deze functie als die van 'bijzonder laagleraar'. Naast zijn onderwijs aan Bachelor- en Masterstudenten was Wagenaar als copromotor, referent of als gewoon commissielid betrokken bij verschillende dissertaties over onderwerpen die voortvloeiden uit de aanwezigheid van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) in Azië.
      Het Aziatisch werkterrein van de Compagnie kent Wagenaar goed sinds hij in 1980 voor het eerst naar Sri Lanka reisde in verband met de inrichting van het Dutch Period Museum in Colombo. Sindsdien heeft hij grote delen van 'Compagnies Azië' bereisd, onder andere in verband met projecten in Sri Lanka, India, Indonesië, Japan, Thailand en Laos.
      In zijn reguliere werkcolleges behandelde Wagenaar thema’s uit het brede onderwerp van het Handelsrijk van de Verenigde Oost-Indische Compagnie in Azië. Het is dan ook niet toevallig dat hij afscheid neemt in de vergaderzaal waar de directie van de Kamer Amsterdam wekelijks en de Heren XVII een groot aantal weken per jaar vergaderden over het wel en wee van de Compagnie.

      Tijdens deze middagbijeenkomst van het Amsterdams Centrum voor de Studie van de Gouden Eeuw zullen een aantal oud-studenten en collega’s een korte inleiding geven over de regio waarmee zij zich bezighouden in het grote verband van VOC-studies.

      Afwijkende plaats en tijd: Oost-Indisch Huis, Bewindhebberskamer. Ingang via Bushuis, Kloveniersvoorburgwal/hoek Oude Hoogstraat, Amsterdam. Zaal open 14.00, aanvang 14.10 uur.

      Programma
      Zaal open 14.00 uur
      14.10Welkomstwoord door prof. dr. Henk van Nierop.
      14.15Bijdragen van dr. Alicia Schrikker (Ceylon/Sri Lanka); drs. Suze Zijlstra (Coromandel/India); drs. Caroline Drieënhuis (Java/Indonesië), drs. Jurre Knoest (Desjima/Japan); Ranjith Jayasena (Mauritius).
      15.30Theepauze.
      15.45Bijdragen van prof. dr. Leonard Blussé (Batavia/Indonesië) en prof. dr. Catherine Raymond (Arakan/Burma, Siam/Thailand, Laos).
    • 7 mei, Paintings/Problems/Possibilities. A Symposium Dedicated to Svetlana Alpers
      Toelichting:
      Svetlana Alpers will participate in a multidisciplinary assembly of visual artist and researchers who have affinity with her thinking. She will discuss a selection of works from the Renaissance to the present. Her guests are the artist Jan Andriesse, historian Rudolf Dekker, artist Jan Dibbets, painter Marlene Dumas, art historian Rudi Fuchs, film maker Maarten de Kroon, and cultural historian Lotte van de Pol.
      ! Gewijzigde tijd: zaal open 12.30, aanvang 13.30, eind 16.45 uur, UvA, Agnietenkapel, Oudezijds Voorburgwal 231, Amsterdam. Aanmelding verplicht.
      More information & registration.
    • 22 april, dr. Ulrich Ufer (Montreal), Global and Local, Culture and Nature - Interplays of Identification in seventeenth century Amsterdam.
      Dit colloquium kon i.v.m. het vliegverbod helaas niet door gaan.
      Toelichting:
      Amsterdam in the seventeenth century was widely regarded as a hub of global chains of interdependence and as a centre of civility and progress. From a perspective subscribing to this view, participation in urban life was considered as a positively distinguishing mark of identity. And yet, the ambivalences of modern urban progress and global interconnectedness gave rise to criticism and could encourage contrasting views, such as the idealization of a more autarchic life in the country. Early modern Dutch literature cultivated both positive and pejorative literary stereotypes of urban and rural dwellers and of their respective relations to culture and nature. These can be discussed in a four-poled model of modern urban identity space.

      Ulrich Ufer has studied history and social anthropology at the University of Cambridge and at École des hautes études en sciences sociales in Paris (EHESS) and received his PhD degree as a co-tutelle from both EHESS and the University of Stuttgart. He is currently DAAD Professor at Université de Montréal in Canada where he teaches courses on the history and anthropology of globalization on European Identity and on interdisciplinarity.
      Publications include the monography "Welthandelszentrum Amsterdam. Globale Dynamik und Modernes Leben im 17. Jahrhundert" (Böhlau, 2008) and the articles "On the global distribution and dissemination of knowledge" (with Nico Stehr in International Social Sciences Journal 195, 2009), "Globalization and modern Identity Practices - Locals and Cosmopolitans in Seventeenth Century Amsterdam" (HERMES, 43, 2009) and "Der Dreißigjährige Krieg in Oberschwaben. Drei Ego-Dokumente" (Ulm und Oberschwaben 56, 2009).
      Afwijkende plaats: PC Hoofthuis, zaal 1.05 (Spuistraat 134, Amsterdam)
    • 1 april, dr. Martine van Ittersum (Dundee), Hugo de Groot en de archeologie van de archieven: het imago van een Nederlandse nationale held sinds de zeventiende eeuw.
      Toelichting:
      Naar aanleiding van haar huidige onderzoek naar de materiële nalatenschap van Hugo de Groot, zal Martine van Ittersum zijn betekenis voor verschillende groepen in de Nederlandse samenleving belichten. Het imago van Hugo de Groot verandert met de tijd, naar gelang verschillende groepen zich ontfermen over zijn erfenis. Tot zijn laatste snik heeft Hugo de Groot de belangen van de VOC en WIC behartigd, zelfs als banneling in Parijs. Maar hij was een zeer controversiële figuur in zijn eigen tijd, voornamelijk vanwege zijn weigering om zich neer te leggen bij de gebeurtenissen van 1618/1619 en zijn streven naar de hereniging van de Christelijke kerken. Voor de remonstranten is hij echter altijd een held gebleven. In de biografie van Brandt-Cattenburgh (1727) en de uitgaven van zijn brieven verzorgd door remonstranten wordt hij neergezet als een proto-verlichter, die tolerantie preekte lang voordat John Locke op het toneel verscheen. In de Patriottentijd wordt Hugo de Groot verheven tot vrijheidsheld, die, net als Van Oldenbarnevelt en de gebroeders De Witt, weerstand had geboden aan de machtswellust van de Oranjes en hun monarchale pretenties. Pas eind 19e eeuw ontstaat het huidige beeld van Hugo de Groot als ‘vaderlandsche’ held, die tezamen met Erasmus en Spinoza wordt opgenomen in het rijtje van ‘grote geesten’ van de Nederlandse natie. Dan wordt ook het standbeeld in Delft opgericht. Een opmerkelijke postume carrière, die nauw samenhangt met de maatschappelijke en bestuurlijke veranderingen in de Lage Landen sinds de 17e eeuw.

      Martine van Ittersum is als universitair docent Europese geschiedenis verbonden aan de School of Humanities, College of Arts and Social Sciences, van de University of Dundee in Schotland. In het kader van een sabbatical is zij momenteel werkzaam op het Huygens Instituut. Zij promoveerde op een onderzoek naar de natuurrechtelijke theorieën van Hugo de Groot, in het bijzonder zijn verdediging van het Nederlandse imperium overzee. Zij heeft sindsdien een groot aantal publicaties over Hugo de Groot op haar naam staan. De volledige lijst van publicaties is te vinden op haar persoonlijke website: http://www.dundee.ac.uk/history/staff/vanittersum.htm
    • 4 maart, dr. Jill Stern (London), Orangism in the Dutch Republic in Word and Image 1650-1675
      Toelichting:
      In her forthcoming book Jill Stern describes the language and imagery deployed by the Orangists in the critical years 1650-75 in their attempt to restore the stadholderate in the person of the young prince. She will argue that the Orangists presented an intellectually coherent position drawing on the established European model of the ‘mixed constitution’ while siting it in a uniquely Dutch perspective. In addition, they had no desire for the prince to become a monarch; rather they viewed the stadholderate as an essential part of the Dutch constitution, fulfilling, at periods of crisis, a key role as defender of the rights and privileges of the citzenry against an overwheening urban oligarchy. Source material is drawn not only from books and political pamphlets but also from contemporary drama, poetry, portraits, prints and medals. By these means she is able to analyse the imagery used by the supporters of the House of Orange, in particular the symbols of rebirth and regeneration which were deployed to encourage the restoration of the stadholderate in the person of William III.

      Jill Stern’s book, Orangism in the Dutch Republic in Word and Image, 1650-75, is to be published by Manchester University Press in March 2010.

      Jill Stern graduated aged twenty from Kings College, London University with a first class honours degree in medieval and modern history. She taught history at a leading independent school for girls and later was appointed as a chairman of a health authority in west London. She returned to University College, London where she obtained a master’s degree with a distinction in the history and culture of the Dutch Golden Age and a doctorate in Dutch History entitled ‘The Phoenix from the Ashes’, Orangism in Word and Image 1650-1675. Her published articles include ‘The rhetoric of popular Orangism 1650-72 (awarded the Pollard Prize of the London Institute of Historical Research), ‘The Orangist Myth’, ‘Religion and the Orangists’ and “A Righteous War and a Papist Peace”: ‘War and Religion in Pamphlet Literature 1650-1672’.
    • 4 februari, Badeloch Noldus en Johanneke Verhave, Ontdekkingen bij de restauratie van Jacob Jordaens' Cijnspenning (De veerboot naar Antwerpen).
      Toelichting:
      Badeloch Noldus deed onderzoek naar de provenance van De Cijnspenning. Zij zal in haar lezing haar hypothese over de opdrachtgever(s) toelichten en ook ingaan op de iconografie van het schilderij. Johanneke Verhave onderzocht de totstandkoming van het schilderij.
      meer informatie [doc]
  • in 2009
    • 3 december, Dr. Antonio Sánchez Jiménez (UvA), Painting and Literature in the Spanish Golden Age: the Case of Lope de Vega (1562-1635).
      Toelichting:
      Foreign visitors who traveled through Spain between 1580 and 1640 consistently observed that Golden Age Spaniards had developed a taste for painting that had reached the proportions of a collective mania. From the royalty to the urban middle-classes, people collected art with enthusiasm, and became, or at least acted as if they had become, art connoisseurs. The painting craze was particularly acute amongst writers, the most prominent case being Lope de Vega, a polygraph who produced hundreds of plays for the commercial theater, but who also stood out as a writer of lyrical, epic and hagiographic poetry. Amongst the many painters Lope commented in his works, we will focus on Hieronymus Bosch. Lope’s passages on Bosch testify to the existence of a controversy about this painter in the Spain of the time, and also to the reasons behind Lope’s endorsement of Bosch and, more generally, painting.

      Antonio Sánchez Jiménez is UD aan de Universiteit van Amsterdam. He is a specialist in Medieval (PhD, Universidad de Salamanca, 2001) and Golden Age (PhD, Brown University, 2004) Spanish literature. In his books, he has studied self-fashioning in the poetry of Lope de Vega (Lope pintado por sí mismo, 2006) and the relationship between literature and history in epic and theater (El Sansón de Extremadura, 2006), and in particular in the poetry of Lope de Vega (La Dragontea, 2006; Isidro, in press). Now, he is working on a project about the use of painting in Golden Age Spanish literature.

    • 5 november, Ir. Leo van den Burg (TU Delft), Transformaties van zeventiende-eeuwse binnensteden: De stedenbouwkundige inpassing van het Amsterdamse stadhuis, 1639-1648
      Toelichting:
      Het karakter van veel Hollandse steden is voor een belangrijk deel het gevolg van zeventiende-eeuwse veranderingen in de binnensteden. Of hierbij stedenbouwkundige overwegingen een rol hebben gespeeld is lang niet altijd duidelijk. Een interessante casus in dit verband is het huidige Paleis op de Dam. Uit eerder onderzoek naar de stedelijke inpassing van dit gebouw kwam de Amsterdamse vroedschap naar voren als een onzekere opdrachtgever die wel een mooi gebouw wilde, maar niet wist hoe zij dit in de stad moest plaatsen. Een nauwkeurige lezing van de - vaak cryptische - resoluties maakt echter duidelijk dat de Amsterdamse vroedschap waarschijnlijk al vanaf het begin van het ontwerpproces van plan was om van de Dam een monumentale stedelijke ruimte te maken. Zij blijkt een opdrachtgever met oog voor binnenstedelijke ruimtelijke kwaliteiten en hoe die door haar handelen konden worden verbeterd.

      ir. L.P.J. van den Burg (1970) is werkzaam als universitair docent op de afdeling Urbanism van de TU-Delft. Hij combineert onderwijstaken met een promotieonderzoek naar binnenstedelijke transformaties van Hollandse steden in de zeventiende eeuw. Dit doet hij als lid van de onderzoeksgroep "Randstad Holland". Leo van den Burg is opgeleid als architect en in 1997 afgestudeerd aan de faculteit Bouwkunde van de TU-Delft. Hij heeft verscheidene jaren gewerkt als architect en stedenbouwkundige voor hij in 2003 terugkeerde naar de universiteit.

      Aansluitend hield Prof.dr. Jan Bloemendal zijn editie van het toneelstuk Een Spul van Sinnen van den Siecke Stadt (1560) ten doop. Deze bijtende satire geeft de oorzaken van de ernstige ziekte van Amsterdam: de macht van het geld en de hypocriete orthodoxie. Met verwijzingen naar sociale en religieuze misstanden, naar het dopers oproer en de rol van de stadsbestuurders, geeft auteur Jonck het stuk een boodschap over de actualiteit van Amsterdam aan de vooravond van de opstand.

    • 8 oktober, Drs. Kees Kaldenbach over Een goed belegde boterham verdienen met de Gouden Eeuw
      Toelichting:
      In een tijd van verminderende geldstromen vanuit de overheid is het noodzakelijk voor onderzoekers, instellingen en ondernemers om een optimale inventiviteit te ontwikkelen en onvervaard de markt te betreden.

      Een van de grote schatten in onze cultuur en samenleving is onze erfenis van de Gouden Eeuw in de vorm van historische (kunst)voorwerpen, architectuur, instituties en tradities. Naar mijn mening is er in de markt, ook in de huidige economie, ruim plaats voor het ontwikkelen van projecten, presentaties en levensvatbare plaatsen van herinnering, bezinning en hoop. Een van de plekken in de stad die rijp is voor ontwikkeling als magneet voor de toeristische branche is het VOC-hoofdkantoor in de Oude Doelenstraat, nu in gebruik als een UvA-gebouw.

      In deze lezing introduceer ik een aantal Good Practices en Bad practices van instituties die zich (tevens) bezighouden met inhoud en presentatie van de Gouden Eeuw. Ook ga ik in op financieringsmogelijkheden uit de verschillende geldstroom.
      Lees verder

      Kees Kaldenbach (1953), was als kind al gefascineerd door beeldende kunst en volgde de Pedagogische Academie. Hij studeerde Kunstgeschiedenis, met als zwaartepunt de schilderkunst van de zeventiende eeuw. Vanaf 1997 ontwikkelde hij de een encyclopedische site over Vermeer en Delft (www.xs4all.nl/~kalden/). Deze meertalige site met ongeveer 1500 elementen is vrij toegankelijk. Kaldenbach leidt het bedrijf Private Art Tours, waarin kennis over kunst, geschiedenis en architectuur wordt gepresenteerd met passie.
    • 4 juni, Prof. Eric Jan Sluijter (Universiteit van Amsterdam, Denken over lokale scholen, stijlen en voorkeuren in de schilderkunst van de Gouden Eeuw
      Toelichting:
      Deze lezing is een licht bewerkte versie van een keynote address voor het symposium City Limits: Urban Identity, Specialisation and Autonomy in Seventeenth-Century Dutch Art. Mijn lezing was getiteld: Neat Concepts and Messy Realities. Local Schools, Styles and Tastes. (National Gallery of Ireland & University College Dublin, 25-26 april 2009).

      Tijdens dit symposium waren de twee belangrijkste discussiepunten: ‘... the validity of approaching seventeenth-century Dutch art through the prism of “local schools’” en ‘why did certain (sub) genres emerge and flourish in a given artistic centre at a specific time.’ Aangezien deze vragen voor het door mij en Marten Jan Bok geleide onderzoeksproject Artistic and Economic Competition in the Amsterdam Art Market zeker van belang zijn, vormden ze voor mij een goed startpunt om mij in deze problematiek te verdiepen. Het is dus ‘work in progress’ en kritische discussie is welkom.

      Allereerst laat ik, uitgaande van twee recente tentoonstellingscatalogi, de onoplosbare problemen zien die onstaan door de wijze waarop begrippen als ‘Haarlemse school’ en ‘Delftse school’ meestal worden gehanteerd. Daarna volgt een zeer beknopte historiografie, waarin vooral de scherpe observaties van Wilhelm Martin naar voren worden gebracht. Dit overzichtje eindigt bij het invloedrijke boek van Bob Haak –ongewild een belangrijke veroorzaker van het denken in plaatselijke categorieën – en de vele tentoonstellingscatalogi van de laatste 15 jaar over de schilderijenproductie in bepaalde steden van de Republiek. Tevens zal worden ingegaan op een deels misleidende, deels interessante ‘new art history’-benadering van deze problematiek.

      Vervolgens geven een paar statistieken (gemaakt door Harm Nijboer) een – zeer voorlopig – beeld van de al dan niet plaatstelijke herkomst van kunstenaars in een aantal steden, terwijl met enkele schema’s wordt getoond hoe er, vaak gedurende slechts korte tijd, clustering van bepaalde specialisaties rond succesvolle kunstenaars plaatsvond. Op basis daarvan zal worden betoogd welke richtingen wij mijns inziens moeten inslaan met de bestudering van de lokale/interlokale productie van schilderijen, waarbij het onderzoek naar concurrentie, clustering en netwerk-analyse van groot belang zal zijn.

      Eric Jan Sluijter is hoogleraar Kunstgeschiedenis van de Nieuwere Tijd aan de Universiteit van Amsterdam. Samen met Marten Jan Bok leidt hij het onderzoeksprogramma (gesubsidieerd door NWO): Artistic and Economic Competition in the Amsterdam Art Market: History Painting in Rembrandt’s Time, waarover tijdens het colloquium in november verslag werd gedaan. Eerder leidde hij het programma (NWO): Beeldtradities en betekenis in de schilder- en prentkunst van de 16de en 17de eeuw. Zijn meeste recente boek: Rembrandt and the Female Nude (2006, AUP). Zijn onderzoek maakt deel uit van het Centrum voor Studie van de Gouden Eeuw (UvA).
    • 14 mei, Mike Olson, Nederlandse spreektaal in de 17e eeuw
    • 2 april, Natascha Veldhorst, Een muzikale Granida (P.C. Hooft) (n.a.v. uitvoering Amsterdam Stadsschouwburg op 6 april)
      Op 6 april 2008 gaat in de Amsterdamse Stadsschouwburg Granida van Pieter Cornelisz Hooft in première, het wonderbaarlijke liefdesdrama uit 1605 dat gedurende de zeventiende eeuw in de theaters, liedboeken en schilderkunst zo enorm populair is geweest. De voorstelling wordt gevolgd door een tournee langs zeven andere grote theaters in Nederland (zie voor een speellijst www.granida.info). Voor het eerst na vier eeuwen wordt het spel uitgevoerd met de bijbehorende muziek. Bekende zangers zoals Tania Kross (Granida), Jeroen de Vaal (Daifilo) en Marcel Beekman (voedster) spelen hoofdrollen, begeleid door barokorkest La Sfera Armoniosa. Acteur Carol Linssen speelt de rol van de koning en het geheel staat onder leiding van operaregisseur Wim Trompert. Dramaturg van de produktie is Natascha Veldhorst. Zij zal in deze lezing uiteenzetten waarom Granida ook voor een hedendaags publiek de moeite waard is, welke ingrepen voor zo'n moderne uitvoering noodzakelijk zijn en waarom voor een muzikale benadering van het spel is gekozen.

      Natascha Veldhorst studeerde Nederlandse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam en solozang aan het Conservatorium van Amsterdam. Zij schreef een dissertatie over Nederlandse theatermuziek in de Gouden Eeuw (Amsterdam University Press 2004), en is tegenwoordig als docent muziek- en literatuurwetenschap werkzaam bij de afdeling Algemene Cultuurwetenschappen aan de Radboud Universiteit te Nijmegen.


    • 5 maart, dr. Bas Dudok van Heel, De katholieke elite van Amsterdam na de Alteratie.
      Onlangs verscheen het omvangrijke eerste deel van Bas van Heels studie naar de nakomelingen van Claes Heijn Claesznszn (overl. voor 1411). Van Heel toont op basis van uitgebreid genealogisch onderzoek aan dat deze maagschap de kern van het oorspronkelijke Amsterdamse patriciaat heeft uitgemaakt en dat hun nakomelingen tot het einde van de Republiek de dominante groep in Amsterdam zijn gebleven en niet alleen onder de protestanten. Hun invloed breidde zich vooral door huwelijken binnen plaatselijke elites geleidelijk verder uit over andere steden in de Republiek, maar deed zich ook elders in Europa gevoelen, tot in Rusland aan toe. Buiten Europa lijken zij vooral in het VOC-gebied te hebben geopereerd, het onderzoek heeft althans weinig banden met Amerika aan het licht gebracht.

      Omdat de resultaten van 40 jaar onderzoek niet in 45 minuten zijn te behappen, zal Van Heel in zijn voordracht slechts een belangrijk facet van zijn boek behandelen, namelijk de positie van de katholieken in Amsterdam in de zeventiende en achttiende eeuw. Hierbij zal hij zijn bevindingen vergelijken met die van Bertrand Forclaz met betrekking tot de Utrechtse katholieken, zoals gepresenteerd op het colloquium van 5 februari jongstleden. Hij zal aan de orde stellen in hoeverre de sociale differentiatie tussen de nakomelingen voortkwam uit, dan wel samenhing met het ontstaan van de verschillende religieuze denominaties. Uiteraard zal hij daarbij ook ingaan op de rol van de Calvinisten in het politieke en religieuze krachtenspel, waarbij hij zal betogen dat het bestaande beeld een aanzienlijke verfijning dan wel nuancering behoeft. Processen van maatschappelijke stijging en daling werden overigens ook sterk door andere factoren beïnvloed, waarbij de Engelse oorlogen, die resulteerden in vele faillissementen, een cruciale rol lijken te hebben gespeeld.


    • 5 februari, Bertrand Forclaz, Catholics under the Cross: the Survival of a Confessional Minority in Seventeenth-Century Utrecht
      In this paper, I will present the results of an ongoing research on Utrecht catholics in 17th-century Utrecht. The former ecclesiastic capital of the Nothern Netherlands presents a paradox : it was in the Golden Age one of the main centers of the Catholic Hollandic Mission and hosted one of the biggest Catholic communities in the United Provinces, while with Gisbertus Voetius it constituted a bollwerk of Reformed orthodoxy. To explain this paradox, I will focus on three aspects : the institutional conditions that made the survival of the Catholic minority possible, i.e. the presence of former Catholic institutions (chapters and convents) ; the social history of the Catholic community, specifically the weight of Catholic families within the large elite of Utrecht ; the confessional culture and social memory of the Catholics.
  • in 2008
  • in 2007
  • in 2006
    • 7 december, Prof. Dr. Eric Jan Sluijter:
      zittend naaktRembrandt and the Female Nude
      Rembrandt's schilderijen en etsen met vrouwelijke naakten hebben altijd veel, en dikwijls heftige, reacties opgeroepen. Ze wijken radicaal af van gangbaar was, hoewel Rembrandt vertrouwde onderwerpen koos, dicht bij de picturale tradities bleef en in voortdurende dialoog was met zijn grootste voorgangers op dit terrein.
      Lees verder
    • 2 november, Michiel van Groesen:
      De reiscollectie De Bry (1590-1634). Uitgeverspolitiek en het beeld van niet-Europeanen in de zeventiende eeuw
      De monumentale reiscollectie De Bry (25 dln.; Frankfurt 1590-1634) bestaat uit naar het Latijn en Duits vertaalde verslagen van Europese reizigers in Amerika, Afrika en Azië. Deze verslagen, verdeeld in een America- en een India Orientalis-reeks, waren vrijwel zonder uitzondering eerder uitgegeven, maar zijn door de familie De Bry grondig bewerkt.
      Theodore († 1598) en zijn zoons Johan Theodore en Johan Israël de Bry, oorspronkelijk afkomstig uit Luik, waren vooraanstaande kopergraveurs. Ze ontwikkelden zich als kunstenaars in Straatsburg, Antwerpen en Londen, voordat ze zich als uitgevers vestigden in Frankfurt. De reiscollectie, waarin ook talrijke Nederlandse verslagen zijn opgenomen, vormt het magnum opus van de firma. Vele nieuwe illustraties zijn toegevoegd aan de bestaande reisverslagen, en ook de teksten zijn aangepast.
      Mijn interesse is vooral uitgegaan naar deze bewerkingen van verslagen en afbeeldingen, en de vragen hoe en waarom het beeld van niet-Europeanen hierdoor is veranderd. Daarnaast heeft dit onderzoek zich o.a. gericht op de achtergrond van de De Bry familie, op de bedoelingen van de uitgevers om het beeld aan te passen, en op het lezerspubliek van de verzameling.
    • 5 oktober, Norbert Middelkoop:
      Von Sandrart in Amsterdam (1637-1645): de portretten van Amsterdamse literatoren
    • 1 juni, Dr. Frans Blom: Nieuw Nederland in beeld. Recente studies hebben een helder beeld gereconstrueerd van de Nederlandse vestiging in Nieuw Nederland. Minder is tot nu toe gekeken naar de contemporaine beeldvorming. Wat wisten Nederlanders in patria van de kolonie? Welke teksten hebben gefunctioneerd in die beeldvorming? Wat is hun onderlinge verwantschap, en wat zijn hun verschillen? Door wie en met welk oogmerk zijn ze gecomponeerd? Deze en andere vragen komen aan de orde in de lezing van historisch-letterkundige Frans R.E. Blom (UvA-Nederlands).
    • 11 mei, Dr. Elmer Kolfin en Esther Schreuder: Zwart verbeeld. Naar een tentoonstelling over zwarte mensen in de kunst van de Nederlanden (2008)
      Momenteel zijn de voorbereidingen in gang voor een tentoonstelling over zwarte mensen in de kunst van de Nederlanden (1200-2000), die staat gepland in de Nieuwe Kerk in 2008. Een belangrijk deel van deze tentoonstelling zal gewijd zijn aan de Gouden Eeuw. Twee betrokkenen, Drs. Esther Schreuder en Dr. Elmer Kolfin, bespraken het tentoonstellingsconcept en presenteerden een casus.
    • 6 april, Prof. Dr. Benjamin Kaplan: Muslims in the Dutch Republic? The Presence of Muslims in Christian Europe in the Early Modern Period
    • 2 maart, Prof. Dr. Johan Koppenol (VU/UvA): Buitenbeentjes: twee religieuze rederijkersspelen.
    • 2 februari, Professor Ronnie Po-Chia Hsia (Pennsylvania State University/ NIAS): Ethnographies and Racial Prejudice: "Two Case Studies from Reformation Germany and the Jesuit Mission in China".
      The paper will argue for the emergence of a racialist discourse by analyzing the cultural/intellectual developments in Germany and in the Catholic mission in China, with the motif of Christianity and Judaism being the commonplace in the two discourses.
  • in 2005
  • in 2004
  • in 2003
  • in 2002
  • in 2001

 
Symposia en andere activiteiten

  • Symposium Atlas Van der Hem – Verre wereld in beeld
    Atlas Van er Hem Op donderdag 16 april vond in de Aula van de Universiteit van Amsterdam het symposium Atlas Van der Hem – Verre wereld in beeld plaats. Sprekers met internationaal erkende expertise belichtten de zeventiende-eeuwse Amsterdamse verzamelaar Laurens van der Hem, zijn milieu, zijn atlas en zijn tijd.
    Aanleiding voor dit symposium is de hoogwaardige facsimileuitgave van de Atlas Blaeu-Van der Hem, die deze dag officieel gepresenteerd werd door HES & DE GRAAF Publishers BV.
    Programma

    30 oktober 2008: Vijfde Gouden-Eeuwlezing
    door Prof. Dr. E.K. Grootes: Hoe te leven, hoe te overleven? Huygens' Dagh-werck en Hoofts Dankbaar genoegen

    23 mei 2006: Vierde Gouden-Eeuwlezing
    door Prof. dr. Benjamin Kaplan: Muslims in the Dutch Golden Age. Representations and realities of religious toleration

    Koopman die een moor ontvangt in de haven, door Nicolaes Berchem (Haarlem 1620 - Amsterdam 1683); olieverf; Gemäldegalerie DresdenDe Republiek stond tijdens de Gouden Eeuw bekend als de meest tolerante samenleving van Europa. Als onderdeel van deze reputatie stelden schrijvers en kunstenaars ook moslims voor als een van de gedoogde religieuze minderheden. Deze lezing behandelt de gespannen relatie tussen deze tolerante voorstellingen en de werkelijkheid. Hoewel enkele moslims de calvinistische Republiek bezochten of hier kortstondig verbleven, vormden zij in vergelijking met andersdenkende christenen of joden een kleine groep. Bovendien genoten zij niet dezelfde vorm van tolerantie als deze andere minderheden. Het is bijvoorbeeld niet duidelijk of zij ooit hebben kunnen beschikken over een moskee. De literaire en artistieke uitbeelding van tolerantie in de vroegmoderne tijd vervaagde echter geregeld het onderscheid tussen de verschillende uitingsvormen van ruimdenkendheid, in een poging tot retorisch of polemisch effectbejag. De aanwezigheid van moslims in de Republiek werd dan ook gebruikt om bepaalde aspecten van de religieuze situatie te prijzen, te beschimpen, of eenvoudigweg te benadrukken.

    11 maart 2004: Tweede Gouden-Eeuwlezing
    door Prof. Dr Jonathan Israel (Ereprofessor Universiteit van Amsterdam): Monarchy, Orangism, and Republicanism in the Late Golden Age
    In de geschiedschrijving over de Nederlandse Gouden Eeuw is herhaaldelijk aandacht besteed aan anti-Orangistisch republikeins gedachtegoed. Daarin ligt de nadruk op het tijdperk van de `Ware Vrijheid` van Johan de Witt en zijn aanhangers en de politiek-theoretische onderbouwing hiervan in het werk van Johan en Pieter de la Court. Er bestond echter ook een pro-Orangistische republikeinse stroming, die nu veel minder belangstelling geniet, en die onder meer tot uiting kwam in het werk van een auteur als Ericus Walten (1663-1697) en een kunstenaar als Romeyn de Hooghe (ca. 1645-1708). De activiteit van deze propagandisten viel samen met de Glorious Revolution in Engeland. De politieke ideeën van Walten en De Hooghe zijn niet alleen van eminent belang voor het begrip van het Nederlandse republikeinse denken in de late Gouden Eeuw, maar onderstrepen ook de grote betekenis van de Nederlandse bijdrage aan de ontwikkeling van het moderne Westerse democratische republicanisme.

    26 april 2002: Huizinga Atelier Gouden Eeuw
    Dit atelier is opgezet in samenwerking met het Huizinga Instituut, Onderzoekschool voor cultuurgeschiedenis. Deelname stond open voor promovendi en andere onderzoekers op het gebied van de Gouden Eeuw. Met deze bijeenkomst werd onderzoekers uit verschillende vakgebieden de gelegenheid geboden met elkaar in contact te treden en vanuit hun verschillende disciplines een facet van deze periode te belichten. Onder het thema Productie, verspreiding en mecenaat van kunst en cultuur heeft een aantal sprekers, actief op de terreinen van kunst- en architectuurgeschiedenis, boekwetenschap, letterkunde en filosofie, een recente onderzoekscasus voorgelegd. Vervolgens werd de aanwezigen de gelegenheid geboden tot discussie. Deelnemende promovendi werd ter voorbereiding op het Atelier een aantal teksten voorgelegd.

    25 januari 2002: Symposium: Eén Gouden Eeuw in vele perspectieven
    Bij de viering van de 370ste Dies Natalis van de Universiteit van Amsterdam is aan prof. Eddy de Jongh het eredoctoraat van de Universiteit van Amsterdam uitgereikt. Ter gelegenheid van dit heugelijke feit organiseerden het Amsterdams Centrum voor de Studie van de Gouden Eeuw en de Afdeling Kunst- en Cultuurwetenschappen van de Faculteit der Geesteswetenschappen een symposium. Daarin kwam niet alleen het belang van het werk van Eddy de Jongh aan de orde, maar ook de relaties tussen verschillende disciplines die op de Gouden Eeuw betrekking hebben.