Logo van de UvA

Amsterdams Centrum voor de Studie van de Gouden Eeuw
Informatie over de organisatie
submenu1a
submenu1b
submenu1c
Internet adressen
Informatie over onderzoeksprojecten
Jaarverslag 2000, Word document
Informatie over onderwijs
Activiteiten voor een breed publiek
Agenda
Columns
Column1
Column2

Titel van de tweede column
Titel van de eerste column
Henk van Nierop

‘Onze Gouden Eeuw, behoef ik aan iemand te zeggen wat ik daaronder versta?’ Dat schreef al meer dan een eeuw geleden de historicus Pieter Lodewijk Muller in zijn bestseller met de ronkende titel Onze Gouden Eeuw (1896). Toch voegde hij er voor alle zekerheid aan toe: ‘Is er één beschaafd Nederlander, die niet weet, dat die woorden alleen kunnen gelden van dat tijdvak onzer geschiedenis, dat besloten ligt tusschen het vertrek van Leicester in 1587 en den vrede van Utrecht in 1713?’

De associatie van het begrip ‘Gouden Eeuw’ met de zeventiende-eeuwse Nederlandse cultuur en geschiedenis is tegenwoordig een gemeenplaats. Voor ons betekent de Gouden Eeuw het tijdperk waarin de nog jonge Republiek der Verenigde Nederlanden een ongekende en ook later niet meer geëvenaarde bloei op het gebied van kunsten en wetenschappen kende, waarin haar schepen alle kusten van de wereld bezeilden en zij bovendien een van de machtigste staten van Europa was.

Toch is dit alles niet volkomen vanzelfsprekend. De meeste (cultuur)historici voelen zich weinig gelukkig met deze rijkelijk eenzijdige term, die van tevoren schijnt te veronderstellen wat nog bewezen moet worden. Zij proberen dikwijls juist een contrapunt aan te brengen, zoals in het geval van de tentoonstelling in het Amsterdams Historisch Museum van 1965, die Arm in de Gouden Eeuw heette. Of in de woorden van Johan Huizinga:

Het is de naam Gouden Eeuw zelf, die niet deugt. Als ons bloeitijdperk een naam moet hebben, laat het dan zijn naar hout en staal, pik en teer, verf en inkt, durf en vroomheid, geest en fantazie. Gouden Eeuw zou beter passen bij de achttiende eeuw, toen het goud gemunt in de geldkisten lag.

Dat gemopper heeft weinig mogen baten. De commercie heeft het gewonnen en sinds P.L Muller wordt de merknaam ‘Gouden Eeuw’ onbekommerd in boektitels gebruikt, de laatste tien of twintig jaar zelfs in sterk toenemende mate. Maar wat verstaan we precies onder die eeuw van goud?

Twee kenmerken lijken me van wezenlijk belang: gelijktijdigheid en eindigheid. In de eerste plaats was ‘onze’ Gouden Eeuw de tijd waarin én handel en nijverheid bloeiden, én een koloniaal rijk werd opgebouwd, én de kunsten bloeiden én de wetenschappen – niet alleen de geesteswetenschappen, maar ook de exacte wetenschappen. Onze Gouden Eeuw was niet alleen de eeuw van Rembrandt, Hals en Vermeer, maar ook van Van Aelst en Van der Ast, van Porcellis en Picquenoy. Niet alleen de eeuw van Christiaen Huygens, maar ook van Stevin en Snellius, van Leeghwater en Leeuwenhoek. Niet alleen van Vondel, Hooft en Bredero, maar ook van Vos en Foquenbroch. Er is geen tijdperk in de Nederlandse geschiedenis waarin zo veel uitzonderlijk begaafde personen op een zo klein oppervlak bij elkaar hebben geleefd. De twee beroemdste Nederlanders die ooit hebben geleefd, Rembrandt en Spinoza, bewoonden hetzelfde huizenblok bij het tegenwoordige Waterlooplein.

Het tweede belangrijke kenmerk van de Gouden Eeuw is dat hij eindig is. We spreken pas van een gouden eeuw als deze al lang en breed door een ijzeren eeuw is vervangen. De Gouden Eeuw ligt in het verleden of in de toekomst, maar nooit in het heden. Het vertoog over de Gouden Eeuw begon in Nederland in de tweede helft van de achttiende eeuw, toen men besefte dat die gouden tijden onherroepelijk voorbij waren. Ook andere gouden eeuwen uit de Europese cultuurgeschiedenis zijn pas uitgevonden toen bleek dat het verval onherroepelijk was. Het Athene van Pericles, Florence tijdens de Renaissance, Spanje onder Filips II: het is allemaal nooit meer geworden wat het eens was.

De eindigheid van de Gouden Eeuw verklaart ook waarom sommige cultuurperiodes juist niet als Gouden Eeuw worden bestempeld. Het tijdperk van Lodewijk XIV was een grand siècle, maar geen siècle d’or, want de Fransen geven nu eenmaal niet graag toe dat ze die culturele bloei niet meer hebben geëvenaard. Ook de Engelsen noemen hun bloeiperiode in de achttiende en de negentiende eeuw nooit hun Golden Century. En als de Amerikanen de twintigste eeuw hún Gouden Eeuw zouden noemen, zou dat weinig goeds voorspellen voor de eenentwintigste. Wie zijn eigen tijd als een Gouden Eeuw bestempelt, roept onheil over zich af. Zou men een zeventiende-eeuwer vragen zijn eigen tijd te kenschetsen, dan zou deze verzuchten zijn tijdperk er een van ijzer was. Zelden zijn er zo veel oorlogen gevoerd als juist in die ongelukkige eeuw.

In de zeventiende eeuw was het begrip Gouden Eeuw intussen bepaald niet onbekend. Maar men gebruikte het anders dan tegenwoordig. Wie toen ‘Gouden Eeuw’ zei, dacht aan de scheppingsmythe van de Griekse dichter Hesiodus, die vooral bekendheid had gekregen in de Latijnse versies van Ovidius en Vergilius. Ovidius had in zijn Metamorfosen geschreven over een aetas aurea, een tijdperk zonder wetten en straf, zonder handel en landbouw en – heel belangrijk – zonder oorlog. Dat kon natuurlijk niet zo blijven. De gouden eeuw werd gevolgd door een zilveren, een bronzen en ten slotte een ijzeren eeuw: het grimmige heden. Bij Vergilius was het omgekeerde het geval. Zijn gouden tijdvak van vrede en voorspoed lag in de toekomst, maar dat maakte zijn kijk op het heden niet zonniger. Of het tijdperk van melk en honing nu voorbij was of nog moest komen, het diende als metafoor voor de onvolmaaktheid van het hier en nu.

Toch zijn er ook wel uitzonderingen op de sombere visie van de tijdgenoten. Zulke uitzonderingen vinden we – niet toevallig – vaak in Amsterdam. Johannes Isacius Pontanus was in 1611 de auteur van een geleerde Latijnse geschiedenis van de stad. Zoekend naar een passend beeld voor de recente, onverwachte en onverklaarbare voorspoed, noemde de periode sinds de Alteratie van 1578 (toen Amsterdam de zijde van de Opstand koos) een ‘gouden eeuw’. En de dichter Jan Vos rijmde in 1662 over de stad:

De Goudt-eeuw komt uit zee tot in haer vesten ryen.

Waar dat de koopvaart bloeit verschijnen goude tyen

Zulke woorden getuigden van een verbijsterende overmoed. De straf is dan ook niet uitgebleven, want in de achttiende en negentiende eeuw is Amsterdam diep gevallen. Gelukkig is het rond 1900, tijdens de zogenaamde Tweede Gouden Eeuw, allemaal nog goed gekomen. Sommigen zeggen dat Amsterdam in de huidige periode van schijnbaar onstuitbare economische groei en welvaart zelfs een derde Gouden Eeuw beleeft. Maar wordt deze nieuwe Gouden Eeuw alleen gekenmerkt door torenhoog stijgende beurskoersen, of ook door bloei van mecenaat, van kunst, cultuur en wetenschap? Het Amsterdams Centrum voor de Studie van de Gouden Eeuw zal daar zijn best voor doen.

naar boven