Logo van de UvA

Amsterdams Centrum voor de Studie van de Gouden Eeuw

Meer details: 115 kB, 266 kB of 534 kB

't Hoogstaat'lijk Beeld, dat we, als een fiere Bruid,
Op 't Waterhoofd van graauw Arduin aanschouwen,
Beeld Amsterdam, Europaas Hoofdstad uit,
Met haar volmaakte en prachtige Gebouwen.
Tot blyk, dat zy van d'edele Natuur
Tot lydsaamheid en handel is geschapen,
Houd d'eene hand de Koopstaf van Merkuur,
Daar d'andre stut, het Drygekruisste Wapen.
De Faam, die nooit iets looff'lyks zwygen zal,
Doet Aarde en Zee van haare grootheid waagen:
Zy trekt de vier Gedeeltens van 't Heelal,
Om Amsterdam haar schatten op te draagen.
Haar Minnaar, 't Y, die ge op de voorgrond ziet,
Roemt op haar deugd en Goddelyk vermoogen,
Terwyl de zuiv're en visschryke Amstelvliet
Zich bakert in de glans van haar' schoone oogen.
De Wysheid, die gy in 't verschiet aanschouwt,
Heeft zy de Hoed van Vryheid opgedraagen,
Haar Voorrecht, Wet en Handvest toevertrouwt,
Ten trots van die haar poogen te belaagen.
Maar welk een Beeld vertoont zich voor myn oog?
't Is Godsdienst, die, geheel hervormt van zeden,
Het Wierook brand en offert naar om hoog,
Om d'Overvloed te trekken naar beneden,
Gerechtigheid, oprecht en vroom van aard,
Ziet deze Maagd ontzachchelyk na d'oogen,
Terwyl zy voert, by 't uitgetoogen Zwaard,
Een Schaal, daar goed en quaad op werd gewoogen.
Daar opent zich het Hemels Blaauw Gewelf!
Gewis zal zich daar uit iets groots vertoonen.
't Schynt Overvloed; O! Ja, zy is het zelf,
Om Amsterdam, die Grootvorstin te kroonen.
Zy is, na 'k merk, met Eeuwigheid verzelt,
Een Zinnebeeld daar myn gedachte in smelt.

F. RYK