UvA-logo Kaart van Midden-Europa in de Oudheid, 1595

Meer details: 858 kb

Germaniae veteris typus / ex conatibus geographicis Abrah. Ortelij.
Schaal [ca. 1:3.500.000].
[Antwerpen : Plantijn, 1595].
1 kaart : kopergravure ; 34 x 44,5 cm, met kader 36,5 x 47 cm.
Cum privilegio Imperiali, Regio, et Belgico, ad decenn. 1587.
Opdracht: 'Dn. Iacobo Monavio Silesio patricio Vratislaviensi, viro et eruditione et humanitate ornatissimo, Abrahamus Ortelius hoc mutuae amicitiae monumentum libens donabat dedicabatque'.
Afdruk van de tweede plaat, die in 1595 de eerste uit 1587 stammende koperplaat opvolgde.
Verso: blank.
Vermoedelijk afkomstig uit een atlas factice.
Van den Broecke, Ortelius atlas maps 200; niet in Karrow, Mapmakers sixteenth century, vgl. 1/177; niet in Koeman, Atlantes Neerlandici, vgl. Ort 25 [19P], niet in Meurer, Fontes, vgl. 19P.
* Kaartenzl O.K. 172.

Anders van opzet dan de moderne Germania-kaart is deze Germaniae veteris typus uit het Parergon. Hij heeft wel vrijwel dezelfde schaal en omvang maar is, begrijpelijk, veel minder gedetailleerd en expliciet in de topografie. Kusten zijn afgevlakt en minder belangrijke rivieren zijn weggelaten. Zoals met 'Germania'-kaarten gebruikelijk is zit ook deze wat ruim in zijn jasje. Al viel het antieke Germania in principe buiten het Romeinse Rijk, de helft van deze kaart valt er binnen. Ortelius ontleende zijn gegevens aan diverse Romeinse geschiedschrijvers. Onder het kopje 'Dubiae positionis quaedam', linksonder, geeft hij een lijstje van plaatsnamen waarvan de juiste locatie hem onduidelijk was. De kaart is opgedragen aan de geleerde Jacobus Monau uit Breslau, een van zijn vele correspondenten, waarmee hij kaarten, boeken en munten uitwisselde.
Deze tweede plaat heeft twee subtiele verschillen ten opzichte van de eerste. Het graadnet, dat eerst aan de buitenzijde van het kader was getekend, is nu binnen het kader gebracht. Bovendien staat de naam 'Galliae pars', naast het lijstje van plaatsnamen, niet op de vorige koperplaat. Petrus Bertius gebruikte deze kaart nog in 1619 en later werden er nog meer navolgingen gemaakt, bijvoorbeeld door Blaeu en Janssonius.