UvAlogo

De kaarten- en atlassencollectie van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap in de Universiteitsbibliotheek Amsterdam

Jan Werner

Inleiding

Het separaat aan de orde stellen van een kaartencollectie die ingebed is geraakt in een andere verzameling zou een geforceerde indruk kunnen maken. Zeker wanneer, zoals hier het geval, die beide collecties door een honderdtwintig jaar lang samenzijn een grote fysieke vervlechting en een onderling inhoudelijke samenhang zijn gaan vertonen, kan met recht gesteld worden dat het geheel meer is geworden dan de som der delen. Toch is er een belangrijk zakelijk verschil tussen de kaartencollecties van de UB (in engere zin) en die van het Aardrijkskundig Genootschap. De aanwezigheid van de kaartencollectie en de bibliotheek van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap (KNAG) in de Universiteitsbibliotheek Amsterdam (UB) vloeit namelijk voort uit een bruikleenovereenkomst die in 1880 gesloten werd. Het eigendom berust bij het KNAG; het dagelijks beheer, inhoudelijk en materieel, valt sindsdien onder verantwoordelijkheid van de UB. De berging, conservering, ontsluiting en beschikbaarstelling van de kaarten en een groot deel van de atlassen vindt plaats op de Kaartenzaal van de UB. In het kader van deze dag, waarop activiteiten, waar het KNAG zich lange tijd op gericht heeft centraal staan, is het toch een poging waard om eens een aantal specifieke merites van de KNAG-collectie te profileren, gezien tegen de achtergrond van de geschiedenis van de beide instellingen in die afgelopen honderdtwintig jaar. De omvangrijke bibliotheek, meer dan 10.000 boeken en tijdschriften groot, blijft hier om praktische redenen grotendeels buiten beschouwing.

Het Aardrijkskundig Genootschap werd opgericht in 1873 te Amsterdam, zoals ook in het buitenland in die periode vele van dergelijke genootschappen waren ontstaan. Het initiatief tot oprichting was genomen "... teneinde de ontwakende belangstelling in de aardrijkskunde aan te wakkeren, en daardoor de kennis te vermeerderen, waarvan onder andere de handel, scheepvaart, industrie, kolonisatie en emigratie de vruchten konden plukken". Al spoedig vormde zich, bijna uitsluitend ten gevolge van schenking, een bibliotheek met een kaartenverzameling die in 1874, driehonderd boeken, atlassen en kaarten groot, ondergebracht werd in een lokaal van het gebouw van de Handelsschool te Amsterdam, aan de Keizersgracht nr. 123. Die ruimte was welwillend ter beschikking gesteld door mede-oprichter en bestuurslid, dr. H.F.R. Hubrecht, hoofd van de school. Bibliothecaris, van 1873 tot 1877, was kapt. t.z. A. van Otterloo. Bij een andere prominente grondlegger van het Genootschap, de autodidact, geograaf en kartograaf J. Kuyper te Den Haag, was een gedeelte van de kaarten betrekking hebbend op Nederland geplaatst "ten behoeve eener bijzondere afdeeling onder den naam "Nederland" door het Genootschap voor de studie der Vaderlandschen bodem, met de hofstad als zetel, gesticht". Deze "Afdeling Nederland", met Kuyper als voorzitter en als leden onder anderen dr. A.A. Beekman, prof. dr. H. Blink, P.R. Bos en ir. J.C. Ramaer, hield zich als een bijzonder soort werkgroep bezig met de geografie van Nederland. Dit in tegenstelling tot het overgrote deel van het Genootschap, dat zich hoofdzakelijk de exploratie en studie van de overzeese gebiedsdelen ten doel stelde. Het is niet duidelijk wanneer deze kaarten van de afdeling Den Haag, die in 1910 ter ziele ging, met de andere herenigd zijn.

De overdracht aan
de Universiteits-
bibliotheek

Dr I. Dornseiffen, praeceptor aan het Gymnasium te Amsterdam en onder meer auteur van de Atlas van Nederlandsch Oost-IndiŽ, volgde Van Otterloo op als bibliothecaris van het Genootschap, nadat hij van 1873 tot 1877 secretaris was geweest. Zijn werk resulteerde in de eerste Catalogus der boeken en kaarten, die een overzicht geeft van de collectie op 1 juli 1878 met een vervolg dat afgesloten werd op 24 september 1878. Over het jaar 1881 verschijnt al het vijfde vervolg, resultaat van een gestage groei.

Door ruimtenood gedwongen moet het bestuur hebben uitgekeken naar een andere behuizing. Vooral de kaarten, met hun onhandige omvang en kwetsbaarheid zullen een aanleiding zijn geweest om de aangeboden faciliteiten van de nieuw te huisvesten, in 1877 tot Universiteitsbibliotheek bevorderde, stedelijke bibliotheek met beide handen aan te grijpen. Deze was eerst, in 1864, verhuisd van de tweede verdieping van het Paleis van Justitie aan de Prinsengracht naar een groot pand aan de Herengracht, nr. 40, het voormalige stadspaleis van de Franse gouverneur Lebrun.
Uiteindelijk, in 1881, ging de Universiteitsbibliotheek naar de Handboogdoelen aan Singel 421, nog steeds een van de huidige panden.

Voordat dit gebouw betrokken kon worden klaagde Universiteitsbibliothecaris dr. H.C. Rogge nog in het jaarverslag van 1879: "De hoop op eene spoedige verplaatsing van de boekerij is in den loop van dit jaar door allerlei omstandigheden verijdeld. Dit is des te meer te bejammeren, omdat de nood dringt. De drie nieuwe bibliotheken [waaronder die van het Aardrijkskundig Genootschap] kunnen niet worden aanvaard, niettegenstaande zij die ze in bruikleen gaven, het tijdstip der overname verlangend tegemoet zien". Gegeven de omstandigheid dat Rogge bovendien mede-oprichter van het Genootschap was en tevens bijdroeg aan de redactie van het Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap, waren gunstige voorwaarden ontstaan om de KNAG-collectie met open armen te ontvangen.

Het KNAG was uit de groeiende dagelijkse beheerszorgen, de UB kon met het beschikbaarstellen van een geografische collectie haar multidisciplinaire functie nog beter vervullen. Het inrichten van een speciale zaal, exclusief voor de berging en raadpleging van de kaarten en atlassen - tegenwoordig niet zo bijzonder - moet in die tijd een verrassende primeur zijn geweest. Rogge vermeldde zijn jongste wapenfeit in zijn Geschiedenis der Stedelijke boekerij van Amsterdam: "De aardrijkskundige verzameling is voor de hoofdstad, waar handel en zeevaart op den voorgrond treden, waar het Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap zijn zetel heeft gevestigd, van hooger gewicht [dan de kunsthistorische], en daarom verheugt het mij te kunnen getuigen, dat juist dit gedeelte op weg is een sieraad van onze Bibliotheek te worden. Met het Aardrijkskundig Genootschap, dat zijne rijke en steeds vermeerderende verzameling oude en nieuwe kaarten aanbracht, werken wij samen, om eene geographische bibliotheek te vormen, die langzamerhand systematisch wordt opgebouwd." In 1880 was ook de collectie van het Wiskundig Genootschap aan de UB in bruikleen afgestaan en de Bibliotheca Rosenthaliana (Hebraica en Judaica) werd aan de gemeente geschonken ten behoeve van de bibliotheek; de Bibliotheek van de Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst was genoemde collecties al voorgegaan in 1855. Ook na 1880 werden nog verscheidene andere wetenschappelijke bibliotheken aan de zorgen van de UB toevertrouwd. Vaak versterkten de collecties elkaar. Belangrijke geografische werken kan men bijvoorbeeld ook aantreffen in de pedagogische boekerij van het Nederlandsch Onderwijzers-Genootschap die in 1883 werd ontvangen. Maar ook in minder voor de hand liggende collecties, zoals die van de Remonstrantse Kerk of van de Verenigde Bibliotheek in het Paleis van Justitie, die pas veel later, in 1949 kostbare werken in bruikleen gaf, treft men wel bijzondere atlassen of topografische werken aan. Binnen dertig jaar was met behulp van deze strategie om integrale wetenschappelijke collecties via schenking of bruikleencontract te aanvaarden het aantal boeken vervijfvoudigd.

Zo kwamen in 1881 honderden boeken, bijna 2000 kaartbladen en enkele tientallen atlassen naar de UB, variŽrend van oud tot "modern". Zij waren netjes bij de overdracht door Dornseiffen aangestreept in zijn gedrukte lijsten. Het in de UB bijgehouden journaal begint op 17 juni 1881. Uit latere lijsten, gebaseerd op die journalen, en de jaarverslagen van de UB blijkt een aanhoudende groei van het bruikleen. In 1882 zijn de kaarten in speciaal daarvoor bestemde kasten geplaatst en een afzonderlijke kaartencatalogus wordt in het vooruitzicht gesteld. Behalve het geboden onderdak en verzorging van de collectie blijkt de gemeente zich bovendien verplicht te hebben een vergaderzaal voor het bestuur van het Genootschap beschikbaar te stellen.

De eerste decennia

De acquisitie van kaarten en atlassen door het Genootschap verliep in het algemeen zonder kosten. Dornseiffen vermeldde consciŽntieus de bron van de aanwinsten; schenking, ruil en legaten vormden de basis. Bestuursleden, particulieren en overheidsinstanties in binnen- en buitenland verrijkten het bezit in hoog tempo. De nieuwe bibliotheekfaciliteiten nodigden kennelijk uit tot verdere expansie van de collectie. Op deze wijze kwamen kostbare zaken binnen maar ook kaarten en atlassen die in de 19e eeuw nog niet als iets bijzonders werden beschouwd zoals waterschapskaarten, stadsplattegronden uit de 18e- en 19e eeuw en eerste topografische kaartwerken uit uiteenlopende landen. Wederzijdse ruil en schenking leverden ook menige aanwinst van zustergenootschappen op. Vele auteurs schonken hun pennevrucht of atlas aan de bibliotheek. Als bestuurleden-schenkers komen we onder anderen tegen I. Dornseiffen, J.Kuyper, W.F. Versteeg en P.J. Veth, allen atlasmakers die geen verdere introductie behoeven. De militair Versteeg en prof. dr. P.J. Veth waren de eerste twee voorzitters van het Genootschap. Ook andere, vaak welgestelde, particulieren laten zich niet onbetuigd. Het meest opvallend is de overweldigende bijdrage van Dr. J.P. Six, die in 1880 onder meer een fraaie collectie zeekaarten op perkament en de Athlas Royal afstond evenals de prachtige zeeatlas van Pieter Goos uit 1675. Over een aantal van deze documenten straks meer. In 1886 is Dornseiffen klaar met de ordening van de kaartencollectie, resulterend in zijn Lijst der kaarten in bezit van het Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap op 1 januari 1887. De collectie omvat dan inmiddels omstreeks 3.700 bladen. Zoals Dornseiffen al aangeeft in zijn voorwoord is het geen wetenschappelijke catalogus, de titels zijn beknopt en er worden geen standplaatsen aangegeven, maar het is het enige waarover wij beschikken om een indruk van het KNAG-bezit op dat moment te krijgen. Blijkbaar sorteert de betere toegankelijkheid het beoogde effect, want in het UB-jaarverslag van 1887 wordt nadrukkelijk vermeld dat van de kaartenverzameling druk gebruik wordt gemaakt. Af en toe moesten zelfs de conservatoren van de UB in hun kamer een plaatsje inruimen voor bezoekers.

In 1889 werd de bibliotheek van de Maatschappij Felix Meritis aan de gemeente Amsterdam ter plaatsing in de stedelijke bibliotheek geschonken. Het materiaal kon slechts gedeeltelijk door de UB zelf opgenomen worden. De kaarten en atlassen werden echter alle over het bezit van UB en het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap (Koninklijk sinds 1888) verspreid, zoals nog steeds aan de opgeplakte vignetjes herkenbaar is. Ondanks het feit dat de acquisitie vrijwel altijd min of meer passief en met gesloten beurs plaatsvond, kwam het ook voor dat het bestuur van het Genootschap diep in de buidel tastte. Meestal was dat voor het organiseren van exploratietochten, maar ook wel eens voor de collectie. Dat gebeurde in 1910, toen de indrukwekkende catalogus Gťographie et Voyages verscheen van Antiquariaat Frederik Muller & Co. Niet alleen werden daaruit achttien belangrijke kaarten en atlassen aangekocht maar ook de unieke 10 cm-globe van Willem Jansz. Blaeu. Hij kostte ¶1200! De eerste druk uit 1570 van Ortelius' Theatrum Orbis Terrarum kwam zo in bezit van het KNAG (naast het afwijkende exemplaar van de UB, dat eveneens het jaartal 1570 draagt) en de zesdelige uitgebreide Atlas Novus van Janssonius uit 1646/47, maar ook iets minder spectaculairs als een afgeprijsd exemplaar van de Facsimile-atlas van A.E. NordenskiŲld uit 1889. Alsof dit nog niet genoeg was werd in december 1910 besloten de winkelvoorraad van ruim 14.000 oude atlaskaarten van het bedrijf aan te kopen, bekend als de Collectie Muller. Ondanks het feit dat penningmeester H.C. Rehbock waarschuwde dat de bodem van de kas in zicht was, moet het Genootschap in deze periode toch enige financiŽle armslag hebben gehad. Onder meer werden binnengekomen giften aangewend om de belangrijke werken toch binnen te halen, op positief advies van dr. F.C. Wieder, die van 1900 tot 1912 werkzaam was geweest bij Frederik Muller & Co. Wieder werd in 1912 (tot 1917) tweede adjunct-bibliothecaris van de UB. Ook werden, als mooie aanvulling op het door Six geschonken zeekaartenmateriaal van de VOC, uit de vervolg-catalogus van 1911 drie belangrijke zeekaarten, gedrukt op perkament en uitgegeven door Pieter Goos, aangeschaft. Met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog is de belangrijkste periode van actieve collectievorming van het KNAG tot een einde gekomen. Niet alle aanwinsten werden in de UB ondergebracht. Zo'n uitzondering vormde de beroemde globe van Arnold Floris van Langren uit 1612, die door een aantal leden van de firma Frederik Muller betrokken werd en vervolgens aan het KNAG werd geschonken. Hij kwam gelukkig wel in Amsterdam, de plaats van origine terecht, in het Scheepvaartmuseum.

Spoedig waren al de eerste aanpassingen in de huisvesting nodig.
Die konden in 1890 gerealiseerd worden nadat Rogge met zijn kinderrijke gezin de dienstwoning in de Handboogdoelen had verlaten. De verbouwing resulteerde in nieuwe benedenzalen waar een gecombineerde plaats werd gevonden voor de verzamelingen kunst- en plaatwerken en de kaarten.

De verhouding UB-KNAG was niet altijd zonder spanning. Omstreeks de eeuwwisseling klaagt de toenmalige bibliothecaris van het KNAG over de "chaotische wanorde" waarin de kaarten verkeren en de te kleine ruimte. Wat dat betreft is er niets nieuws onder de zon; wat het KNAG eerst zelf onderschatte - het beheer van een omvangrijke kaartenverzameling - begon nu de UB kennelijk parten te spelen. Sinds Dr. C.P. Burger jr. in 1890 Universiteitsbibliothecaris was geworden is de toenemende ruimtenood dan ook jaarlijks in steeds klemmender bewoordingen naar voren gebracht. Naar aanleiding van de belangrijke schenking van kaarten en boeken van oud-voorzitter, luitenant-kolonel W.F. Versteeg, klaagt dr. Hubrecht tegelijkertijd over de toestand van de bibliotheek, die weliswaar apart geadministreerd is, maar die gewoon in het bestand van de UB is opgenomen. Hij wil graag een afzonderlijke ruimte voor de KNAG-boeken. Dat is een veelgehoorde, maar nauwelijks te honoreren wens van bruikleengevers. Toch weet Burger, ondanks het nijpende ruimteprobleem, een groot rek op de Kaartenzaal te laten installeren, zodat atlassen en plaatwerken die op plaatsing lagen te wachten eindelijk ondergebracht konden worden. Met een nieuw magazijn in het vooruitzicht werden ook in 1903 "de atlassen en plaatwerken beter geplaatst, de berging der kaarten, waaraan sinds jaren niet meer dan de strikt noodige zorg was gewijd, werd verbeterd". Door een UB-medewerker, de heer A.M. Cramer, werden de oude kaarten opnieuw geordend. Het aantal aanwinsten van het KNAG dat jaarlijks wordt geboekt varieert nogal: van enkele tientallen tot enkele honderden, de kaarten en boeken tezamen. Naar huidige maatstaven langzaam, maar toch gestaag. Het aantal geraadpleegde kaarten beloopt jaarlijks meestal enkele honderden.

Ter gelegenheid van het veertigjarig bestaan van het KNAG werd in 1913 in het Stedelijk Museum te Amsterdam een grote "Koloniaal-Aardrijkskundige Tentoonstelling" ingericht. De catalogus vermeldt een breed scala van inzenders, waaronder UB en KNAG, met kaarten, atlassen en oude geografische beschrijvingen en reisjournalen.

In 1914 is er serieus sprake van geweest om de boeken en kaarten onder te brengen in het zojuist opgerichte "Koloniaal Instituut", het latere Koninklijk Instituut voor de Tropen (KIT) aan de Mauritskade te Amsterdam. Met deze instelling voelde het Genootschap kennelijk meer verwantschap en affiniteit; men was zelfs bang voor concurrentie. Ook hier was weer sprake van een soort "personele unie"; KNAG-voorzitter Dr.Ir. J.W. IJzerman en vice-voorzitter Hubrecht waren tevens voorzitter, respectievelijk ondervoorzitter van de Raad van Beheer van dat Instituut en zagen wellicht mede daarom grote mogelijkheden tot en voordelen in een samengaan. Maar toch overheerste het inzicht dat zo'n breuk met de UB, die zelf niet zonder meer bereid was het contract te verbreken, niet erg voor de hand lag. Burgers bezorgdheid hierover klinkt door in het jaarverslag over 1915 waarin hij vermeldt, naar aanleiding van een grote aanwinst in de vorm van oude hydrografische kaarten van het Departement van Marine: "Het bezit van deze verzameling is van veel belang, daar de historische bestudeering van kaarten tegenwoordig met groote levendigheid beoefend wordt, en onze verzamelingen eerstdaags misschien een ernstig verlies zullen lijden, als het plan mocht doorgaan, om de collecties van het Aardrijkskundig Genootschap over te brengen naar die van het Koloniaal Instituut".

In dat soort "crisis"-situaties is bij het KNAG steeds weer te horen dat de gemeente Amsterdam ook maar niet haar belofte nakomt een vergaderruimte beschikbaar te stellen. Aan het geografisch wereldcongres, meer dan twintig jaar later, had men te danken dat eindelijk tenminste het Bureau van het Aardrijkskundig Genootschap in het KIT een plaatsje kreeg. Ook in de bezettingsjaren, kort na het ingaan van een nieuwe 30-jarige overeenkomst, wordt er nog gesproken over de verhouding tot de UB. Het zit Prof.Dr. J.P. Bakker allemaal blijkbaar niet lekker, maar oud-voorzitter E. Heldring meent berustend "dat we wel voorgoed aan de UB vastzitten".

De periode 1918-1945

Direkt na de Eerste Wereldoorlog lijkt de rol van het KNAG inzake de bibliotheek en kaartenverzameling tijdelijk wat af te nemen. De UB neemt ook steeds meer schenkingen en legaten in ontvangst van Amsterdamse ingezetenen, ten behoeve van de geografische collecties. Ondanks de vrij stabiele aantallen aanwinsten van het KNAG neemt het aantal geraadpleegde kaarten opvallend toe. Het is per jaar beter in duizenden dan in honderden uit te drukken.

Met wisselende inbreng deden KNAG en UB ook aan tentoonstellingen mee. Wel is het opvallend dat bij twee grote, onder auspiciŽn van het KNAG georganiseerde tentoonstellingen, in 1917 en 1921 samengesteld door Beekman, nagelaten is te tonen wat een verscheidenheid de eigen collectie had kunnen bijdragen.

In 1923 verscheen de catalogus Geographie en reizen, die voor het eerst, in gedrukte vorm, recht deed aan het inmiddels enorm gegroeide bezit aan oude geografische bronnen. Ditmaal werd voor het eerst van de kant van de UB ten beste gegeven wat de UB- en KNAG-collecties te bieden hadden op het gebied van oude atlassen en reisjournalen. Burger jr., de samensteller, had al sinds zijn aantreden in de UB door aanschaf en publicaties blijk gegeven van een bijzondere voorliefde voor en deskundigheid op het gebied van 16e- en 17e-eeuwse uitgaven over zeevaartkunde, geografie en cosmografie, en ook reisjournalen en atlassen. In deze sector slaagde hij erin de collectie in de UB enorm uit te breiden, in een tijd dat vele van dit soort werken nog voor de prijs van een actueel boek (of minder) van eigenaar verwisselden. Het reeds aanwezige UB- en KNAG-bezit vormde een uitstekende basis. Eerder, in 1919, had Burger al een overzichtsexpositie ingericht van deze werken, ten behoeve van het 9e Philologencongres. Zijn activiteiten en de vele schenkingen aan de UB hadden er, gezien de catalogustitels, toe geleid dat inmiddels het bezit van het KNAG in deze sector een minderheid was gaan vormen ten opzichte van dat der UB. Als het aan Burger gelegen had, waren er ook volgende delen van de catalogus uitgekomen. Het bleef echter bij het "eerste gedeelte". Teleurgesteld schrijft hij in zijn laatste jaarverslag: ... "Nog minder kon ik afdoen van de verzameling, die we misschien onze allerbelangrijkste mogen noemen, de Geografie en Reizen. Juist voor het eind van het jaar kwamen de rubrieken atlassen en oude reizen nog gereed, voor de latere jaren met heel sterke inkorting, terwijl de afdeelingen zeevaartkunde, wiskunde, en de kaarten nog onbehandeld bleven". De zorg voor de kaartenverzamelingen vanwege de UB bleef noodgedwongen een part-time aangelegenheid. De heer J.N. Jacobsen Jensen had in het midden van de jaren twintig niet alleen de verantwoordelijkheid voor de kaarten maar ook voor de tijdschriftenadministratie en voor de elders geplaatste collecties, waaronder het Bilderdijkmuseum. Toch profiteerden de kaarten van een nieuwe verbouwing in 1925/26. Op de tussenverdieping van Singel 421 werden twee vertrekken tot een flinke Kaartenzaal samengevoegd.

Het Bestuur van het KNAG begon na het betrekken van de nieuwe Kaartenzaal aan de beschrijving van de kaartencollectie, conform de in de UB gehanteerde regels. C.L. van Balen, directeur van de Amsterdamse kweekschool, werd in 1926 bibliothecaris van het KNAG. Er komt duidelijk weer meer inbreng van het KNAG in de gang van zaken. Van Balen heeft veel gedaan om de kaartencollectie in orde te brengen en te houden. Het was ook in die tijd, dat de heer J. van der Koogh, een onderwijzer uit Zaandam, de bewonderenswaardige arbeid verrichtte de Collectie Muller te ordenen en te catalogiseren. In een tot het laatste catalogus-fiche volgehouden onberispelijk handschrift werd hij de collectie administratief de baas. Mogelijk was het resultaat hiervan, dat Van Balen, als eerste, de mogelijke verkoop van doubletten uit de Collectie Muller ter discussie stelde. In 1933 werd de catalogisering weer gereorganiseerd. Bestuurslid Ernst Crone, een gerespecteerd zeevaartkundige, die in 1949 voorzitter van het KNAG zou worden, was in 1931 bibliothecaris voor de kaarten geworden. Hij zette zich vele jaren in voor de verdere ontsluiting ervan, waarbij mej. dr. M. Simon Thomas hem enige tijd belangeloos assisteerde. Allerwege oogstte hij veel waardering voor de wijze waarop hij deze taak uitvoerde. Samen met UB-conservator H. van der Bijll kon hij in 1936 opgetogen meedelen dat het eindelijk gelukt was de gezamenlijke collecties systematisch te rangschikken en op te bergen.

Er werd in die jaren nogal eens geschoven met en getimmerd aan de Kaartenzaal. In 1932 was de situatie blijkbaar weer zo onhoudbaar geweest, dat de UB genoodzaakt was om twee kamers tot een nieuwe Kaartenzaal te verenigen. De Kaartenzaal was blijkbaar ook een "ideale" ruimte om exposities in te richten - Van der Bijll hield zich daar vaak mee bezig - en in tijden van hoge ruimtenood werd er wel eens een stukje afgesnoept voor oneigenlijke functies als het accommoderen van kapstokken van de garderobe. Maar, zo bericht het UB-jaarverslag van 1937, "Tegelijkertijd werd de Kaartenzaal geheel gerestaureerd, waardoor ze een aanzien heeft gekregen meer in overeenstemming met haar kostbaren inhoud". In 1939 waren eindelijk alle 45.000 kaarten, waarvan ca. 25.000 KNAG-kaarten, in de Kaartenzaal bij elkaar gebracht. Tot dan toe werden er ook kaarten op de zolder bewaard.

1938 was een enerverend jaar voor geografisch Nederland en ook voor de collectie van het KNAG. Er werd medewerking verleend aan de tentoonstelling over de Nederlandse kartografie in het Scheepvaartmuseum te Amsterdam, ter gelegenheid van het Internationaal Aardrijkskundig Congres, dat van 18 tot 28 juli in Amsterdam plaatsvond. Tijdens het congres werd een internationale kartografische tentoonstelling gehouden in het "Koloniaal Instituut". Een groot gedeelte van de daar tentoongestelde kaarten werd na afloop aan het Genootschap geschonken. Het verwerken daarvan vertraagde de catalogisering, maar niettemin werd het etiketteren van de collectie bijna voltooid. De Kaartenzaal beleefde een ongekende drukte door het bezoek van de vele congresgangers.

Uit de oorlogsjaren is niet zo veel bekend. Opvallend is dat in het oorlogsjaar 1940 een hausse waar te nemen viel in het aantal geraadpleegde kaarten. De stijging bedroeg meer dan 50%, terwijl het algemene bezoek van de UB wat daalde. Voor het eerst was een "fotografisch apparaat" in de UB beschikbaar waarvan voor de kaarten dankbaar gebruik werd gemaakt. In 1941 werd Mr. H. de la Fontaine Verwey benoemd tot bibliothecaris; hij zou vele jaren aan het roer van de UB staan. In al zijn veelzijdigheid had hij ook een grote belangstelling voor en kennis van de geografische en kartografische collecties in de UB. In zijn lange reeks van publicaties nemen de activiteiten van de Blaeu's een belangrijke plaats in. Een merkwaardig incident vond plaats toen in 1942 de Sicherheitspolizei in de kaartencollectie op zoek ging naar Russische atlassen en ander kaartwerk. Alle Russische boeken werden meegenomen, zo weet Schrader in zijn jubileumboek Honderd jaar Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap 1873-1973 te melden. Of ze ook weer teruggebracht werden wordt er niet bij verteld. Het gebruik van kaarten bleef maar stijgen en was in dat jaar bijna verdubbeld ten opzichte van 1939. Het aantal aanwinsten van het KNAG bleef steeds op een verrassend constant peil, meestal zo'n 150 titels per jaar. De catalogisering van het kaartenbezit van zowel KNAG als UB werd ook trouw voortgezet door de daarmee belaste ambtenaren W.F. Zwart en J.M. Mathies. De ellendige omstandigheden ten spijt, of misschien juist daardoor, was het aantal geraadpleegde kaarten, 1726 in 1943, zelfs meer dan verdrievoudigd ten opzichte van 1939. Een groot aantal kostbaarheden uit de collecties werd in 1944 in veiligheid gebracht in de gemeentelijke schuilkelder. Af en toe was er wat licht in de duisternis: in hetzelfde jaar verrijkte de "Vereniging van Vrienden" de Universiteitsbibliotheek nog met het deel ItaliŽ van de Atlas van Mercator, uitgegeven in 1589.

De periode 1945-heden

De periode na 1945 kenmerkt zich door een toenemende afstandelijkheid van het Genootschap ten aanzien van de wetenschappelijke kaartenschat in zijn bezit. De welwillendheid van de Vereniging van Vrienden van de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam (opgericht in 1937) en de bijzondere sfeer van vertrouwen en samenwerking tussen de Bibliothecaris en verscheidene antiquaren leverden geregeld aanwinsten van topniveau op voor de UB-collectie. Niettemin bleef het KNAG door haar status een nationaal geografisch aanspreekpunt, waaraan graag allerlei instellingen, daarvan getuigt de samenstelling van het naoorlogse bezit, hun uitgaven ter beschikking stelden, met de bedoeling die in depot beschikbaar te houden. We zien de situatie ontstaan dat de UB zich krachtig gaat inzetten voor het complementeren van de oude bestanden, terwijl de min of meer automatische aanwinsten van het KNAG borg stonden voor een continuÔteit in de aanwas van actuele kaarten en kaartseries. Maar ook monumentale wetenschappelijke werken als Youssouf Kamals Monumenta cartographica Africae et Aegypti (1926-1951) en Portugaliae Monumenta Cartographica en diverse nationale atlassen, om maar een paar voorbeelden te noemen, werden als vanzelfsprekend aan het KNAG geschonken. Soms bleken de schenkers uit beleefdheid of misschien onzekerheid zowel UB als KNAG met present-exemplaren te begiftigen, wat hier en daar wel eens een verdubbeling opleverde.

De onbeschrijfelijke ruimtenood, die de bibliotheek al jarenlang in een wurggreep hield, gecombineerd met geconstateerde bouwvalligheid van het pand aan het Singel en de magazijnen achter de Handboogdoelen, hadden er toe geleid dat in de jaren vijftig steeds meer tijdschriften en tienduizenden minder alledaagse documenten overgeplaatst moesten worden naar het voormalige meelpakhuis "Ceres" aan de Nieuwe Prinsengracht. Hoewel in het begin van de jaren vijfig enkele duizenden kaarten per jaar opgevraagd werden, moest in 1955 ook de Kaartenzaal eraan geloven; de directie stond met de rug tegen de muur. Deze "Babylonische Ballingschap" in gebouw Ceres, die twaalf jaar heeft geduurd, heeft de kartografische collecties geen goed gedaan; al spoedig na de overplaatsing werd deze actie ernstig betreurd en als misstand ervaren. Door de overhaaste omnummering van plaatwerken van de Kaartenzaal naar de magazijnen stuit men tegenwoordig nog steeds op problemen en verbroken samenhangen. Wel werd er alles aan gedaan om deze provisorische, tijdelijke zaal en haar inrichting te verbeteren, maar voor de bezoekers waren de kaarten en atlassen van KNAG en UB al die tijd praktisch onvindbaar en moeilijk bereikbaar. "Niettemin kwamen verschillende buitenlandse geleerden naar Amsterdam om deze unieke collectie te raadplegen", meldt De la Fontaine Verwey in het jaarverslag van 1959.

Per 1 september 1961 werd drs. H. Sleurink aangesteld als eerste conservator van de Kaartenzaal. Zijn belangrijkste opdracht was het voorbereiden van de plannen tot inrichting van een Kaartenzaal in het nieuwe gebouw aan het Singel 425. Een magazijnmedewerker, de heer V.P.M. Christiani, stond hem daarbij terzijde. Tientallen nieuwe kaartenkasten werden gekocht en ingericht en de verhuizing werd voorbereid. In januari 1967 werd het nieuwe gebouw, mťt op de vierde verdieping een Kaartenzaal, officieel geopend.

In de afgelopen paar decennia zette de trend zich voort dat het KNAG zich meer en meer op een beperkt aantal andere - uitsluitend geografische - activiteiten richtte en dat de inzet van de UB, nog meer dan voorheen, onontbeerlijk werd om de juiste balans in de kartografische collectie(s) te handhaven, zowel in de historische als de actuele sfeer. In 1976 werd het punt bereikt, dat het KNAG zich officieel terugtrok als (mede-) verantwoordelijke partij voor de collectievorming. Het KNAG voelde zich, mede vanwege de richting die de geografische wetenschap in de naoorlogse periode insloeg, steeds minder verbonden met datgene wat in de voorgaande eeuw opgebouwd was. De oprichting van de Kartografische Sectie in 1958, uiteindelijk uitmondend in de zelfstandige Nederlandse Vereniging voor Kartografie, was daarvan een symptoom. Bovendien bleef de financiŽle basis van het Genootschap sinds het aflopen van de koloniale glorietijd steeds penibel. Een en ander uitte zich onder meer in voorstellen, in 1970 door het KNAG gedaan, om de collectie af te slanken of zich op andere wijze van dit bezit te ontdoen. Pogingen om uit deze ingewikkelde problematiek te komen liepen door kosten en tijdgebrek echter steeds op niets uit. De vraag naar kaarten door het publiek ging echter onverminderd door en de UB zette de catalogisering krachtig voort, volgens een door Sleurinks opvolger, drs. A.H. Sijmons, ontwikkeld systeem. Alle in het verleden opgelopen achterstanden in de catalogisering werden in twaalf jaar door Sijmons opgeruimd. Ook de acquisitie, zo'n 1000 ŗ 2000 bladen per jaar, met uitschieters naar boven, werd stevig op peil gehouden. Dat ging vanaf 1967 tot in de tweede helft van de jaren tachtig met grote doortastendheid, puttend uit naar verhouding ruime middelen. Voor het eerst was er een vakbekwame conservator voor de kaartencollecties aangesteld en werd veel geld gespendeerd aan antiquarische en actuele aanvullingen. In het bijzonder werd veel moeite gedaan om de in de loop der jaren door het KNAG ontvangen incomplete series aan te vullen en zo mogelijk te completeren. Met sprongen groeide het gezamenlijke bezit aan kaarten en atlassen en de inhoudelijke evenwichtigheid nam toe.

Magere jaren braken echter aan, hetgeen het KNAG noopte om veel ruilovereenkomsten op te zeggen, terwijl ook de schenkende (overheids)instanties in toenemende mate gedwongen werden om meer te verdienen en minder uit te geven. Helaas kon de UB, zelf in de loop van de jaren tachtig door zware kortingen getroffen, niet altijd in dezelfde mate als voorheen het brede scala van chronologie, regio's en themata, vertegenwoordigd in beide collecties, afdekken. Toch is het streven daarnaar - noblesse oblige - tegen alle verdrukking in, het beleid ten aanzien van de kartografische collecties in de UB blijven beÔnvloeden. Nu steeds minder overheidsgeld beschikbaar is om die taak naar behoren te vervullen is de UB nůg actiever in het enthousiasmeren van derden om bij te dragen aan het instandhouden en de ontwikkeling van de kartografische collecties. De UB is bijvoorbeeld zeer veel dank verschuldigd aan de "Vereniging van Vrienden" en de "Stichting Dr. Th.J. Steenbergen Fonds" die met groot bewustzijn van het belang van de collecties hebben bijgedragen aan het binnenhalen van kapitale antiquarische aanvullingen. Ook kostbare grote restauratieprojecten werden met hulp van buiten (Steenbergenfonds) gefinancierd. De UB zelf kan zo het op peil houden van de moderne kaarten en atlassen iets beter aan. De meest recente ontwikkeling, die bijdraagt aan een positief tegemoetzien van de toekomst, is de nieuwe huisvesting en verbeterde outillage van de Kaartenzaal. Mede dankzij een beroep op het Deltaplan, waaruit een kwart miljoen gulden beschikbaar werd gesteld door de Mondriaan Stichting, is het mogelijk om de grote conserveringszorgen, die met het beheer van de kaarten en atlassen gepaard gaan, wat te verlichten.

Naast de normale beschikbaarstelling gedurende de openingsuren van de Kaartenzaal heeft de UB het steeds belangrijk geacht om de kaartencollecties via tentoonstellingen onder de aandacht te brengen en verder onderzoek ermee te stimuleren. Dat gebeurt, onder bepaalde voorwaarden, door bijdragen aan tentoonstellingen buiten de UB. In de afgelopen jaren nam de UB ook vaak zelf het initiatief. Een grote tentoonstelling over de "Amsterdamse" kaarten werd in 1975 gehouden in samenwerking met Uitgeversmaatschappij Elsevier. In de tentoonstellingszaal van de UB zouden er nog vele volgen over uiteenlopende themata. Een aardige afspiegeling van de samenstelling van de UB- en KNAG-collecties (met betrekking tot die onderwerpen) is terug te vinden in de bijbehorende tentoonstellingscatalogi. Zij zijn vermeld in de literatuurlijst.

Een andere vorm van openbaar maken van de collectie vond en vindt ook plaats door het meewerken aan reproduktie-uitgaven van kaarten en atlassen. Een van de belangrijkste stukken uit de KNAG-collectie, de eerste uitgave van het Theatrum Orbis Terrarum van Ortelius uit 1570 werd in 1964 gereproduceerd. Later zijn ook een aantal kleinere uitgaven gevolgd. Met de nog steeds aanhoudende grote belangstelling voor historisch kaartmateriaal zijn in de toekomst wel meer soortgelijke projekten te verwachten.

De collectie, collectie-onderdelen en bijzondere stukken
De geografische invalshoek

Getalsmatig zijn de huidige verhoudingen tussen beide collecties als volgt aan te geven. Van de ongeveer 145.000 kaartbladen behoren circa 35.000 bladen tot het bruikleen van het KNAG. Van de oude kaartenbestanden, uitgaven tot 1945, is een kleine meerderheid eigendom van het KNAG en het naoorlogse bestand is in overgrote meerderheid UB-bezit. Voor de ca. 4.500 atlassen geldt, dat het bestand van uitgaven vůůr 1801 merendeels tot het UB-bezit behoort, evenals het moderne bestand. In de tussenliggende 19e eeuw zal het KNAG- en UB-bezit ongeveer gelijkwaardig zijn.

Traditiegetrouw heeft in de UB altijd in belangrijke mate de boek- / kaarthistorische en carto-bibliografische invalshoek een belangrijke rol gespeeld in de collectievorming. Voor het KNAG lag het accent begrijpelijkerwijs meer op de zuiver geografische inhoud en -doelstelling van de kaarten. Dit heeft ertoe bijgedragen dat de KNAG-collectie steeds van overwegend belang is geweest voor de universeel geografische basis van het geheel. Het KNAG kwam op juist toen in Amsterdam de langverwachte opleving plaatsvond in handel, zeevaart en exploratie van de overzeese gebiedsdelen. Als we een blik werpen in de eerste lijsten die Dornseiffen samenstelde, komt dat al snel naar voren.

Ondanks de brede oriŽntatie heeft ook het KNAG bepaalde specialisaties in haar collectie. Vooral de periode voor de Tweede Wereldoorlog, tevens het tijdvak waarin de KNAG-collectie het sterkst groeide, wordt gedomineerd door onderzoek en exploratie van Nederlands-IndiŽ en Suriname. Ook de activiteiten van de Afdeling Nederland hebben onuitwisbare sporen nagelaten. Menig belangrijk politicus, industrieel, militair en reder was te vinden in de gelederen van het Genootschap. Zij bekleedden vaak verschillende invloedrijke functies in het openbare leven. Dr. Hubrecht was behalve directeur van de Handelsschool ook directeur van de Nederlandse Bell-Telefoon Maatschappij, lid van de Raad van Bestuur van het Administratiekantoor en lid van de Tweede Kamer. IJzerman was mede-oprichter van het Koloniaal Instituut en ook voorzitter van de Linschoten Vereniging. Hij was behalve militair ook oliespecialist: directeur van de Moeara Enim oliemaatschappij en commissaris van de Koninklijke. Prins Hendrik, "de zeevaarder", broer van Koning Willem III, was beschermheer van het KNAG en woonde ook de vergaderingen regelmatig bij. Velen speelden een belangrijke rol in het middelbaar- en hoger onderwijs, waar onder meer op het gebied van de aardrijkskunde veel pionierswerk verricht werd. Daarvoor stelden zij atlassen samen en hielden zij zich bezig met vernieuwende schoolboeken. Van meet af aan hebben de activiteiten van deze mensen, of de projecten die door hun toedoen door het KNAG geŽntameerd en organiseerd werden, hun weerslag gevonden in de bibliotheek en kaartenverzameling van het Genootschap. Niet in de laatste plaats waren het deze personen zelf die hun bibliotheken of de door hun voortgebrachte boeken, atlassen en kaarten aan het KNAG schonken ten behoeve van de collectie.

Kartografie van de overzeese gebiedsdelen

Vele duizenden kaarten van toenmalig Nederlands-IndiŽ vormen een substantieel deel van de collectie. Praktisch alle uitgaven van de Topografische Dienst in Batavia treffen we aan: alle topografische series in verschillende uitgaven, kaarten van de residenties (onder meer beroemd om de toepassing van het meerkleurendruk-procťdť van C.F. Eckstein, de toenmalige directeur van het Topografisch Bureau), reeksen stadsplattegronden die aan het eind van de vorige eeuw werden vervaardigd, eenzelfde reeks uit de jaren twintig en officiŽle thematische kaarten. Maar ook vele "obscure" kaarten, door particulieren meegebracht en geschonken: handschriften, thematische kartografie, exploratiekaartjes enzovoorts. Kaarten die met exploratietochten in verband staan - het materiaal zou allemaal nog eens beter uitgezocht en bestudeerd moeten worden - treft men regelmatig in de kaartenkasten aan.

Suriname mocht zich ook in een grote belangstelling verheugen, zij het op een aanzienlijk bescheidener niveau dan de "Gordel van Smaragd". De ca. 150 losse oude kaarten, gedrukt en in handschrift, geven de activiteiten goed weer. Veel titels zijn al aan te treffen in Dornseiffens lijsten. Ook de modernere topografische reeksen kwamen in de collectie terecht. Wat Suriname betreft zijn de KNAG- en UB-collecties even goed voorzien en vullen zij elkaar prachtig aan. Gezamenlijk dekken zij een aanzienlijk deel van de gedrukte kaarten die vermeld worden in C. Koemans Bibliography of printed maps of Suriname 1671-1971. Recentelijk wist de UB nog, met steun van de Vereniging van Vrienden, een aantal 18e-eeuwse gedrukte kaarten te bemachtigen evenals een vroeg-19e-eeuwse handschriftkaart.

Van de Nederlandse Antillen is onder meer een opmerkelijke reeks handschriftkaarten aanwezig, daterend uit het begin van de vorige eeuw. Zij werden in 1879 door J. en H. Gerlings aan het Genootschap geschonken. Vele gedrukte kaarten zouden in de loop der jaren volgen.

OfficiŽle Nederlandse kaartseries

Wat het KNAG ook met strakke regelmaat en in grote hoeveelheden ontving waren de bladen van de officiŽle kaartseries van Nederland. In de journalen worden de bladen aanvankelijk netjes opgesomd, voorzien van de namen van de schenkende instanties. De meeste van die series waren zojuist in de tweede helft van de 19e eeuw van de grond gekomen. Vele drukken en kleinere herzieningen volgden elkaar op. Al snel moet men het opgegeven hebben deze niet aflatende stroom per blad in te boeken.

Nog steeds vormen deze kaarten, samen met wat de UB zelf bezit, een bijzondere kartografische documentatie van de dramatische landschappelijke verandering die Nederland sinds het begin van de industriŽle revolutie heeft doorgemaakt. Tot aan de Tweede Wereldoorlog zijn van elk blad van de Topographische en Militaire kaart van het Koningrijk der Nederlanden 1:50.000 meestal zo'n tien min of meer verschillende uitgaven te vinden. Voor de sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw gestarte Chromo-topographische kaart van het Koninkrijk der Nederlanden 1:25.000, de zogenaamde "Bonne-blaadjes", geldt ongeveer hetzelfde. Toen de Topografische Dienst enige jaren geleden de kosteloze levering van deze series aan het KNAG staakte, heeft de UB de abonnementen voor eigen rekening voortgezet. Hetzelfde geldt voor thematische series van Nederland zoals de Bodemkaart, Geologische kaart, Rivierkaarten en de hydrografische kaartwerken. Was het nog maar zo dat zij net zo eenvoudig als voorheen verworven konden worden!

Oude topografie van Nederland

Meerbladige kaarten van de Nederlandse gewesten en waterschapskaarten, zij werden al even aangestipt, ontving het KNAG ook in groten getale. Dit moet ook in toenemende mate voor de UB gegolden hebben, want hierin is een fraaie complementariteit van uiteenlopende drukken te ontdekken. In ťťn adem kunnen hierbij ook de oude rivierkaarten uit de 18e eeuw genoemd worden; gedrukte- en manuscriptkaarten komen beide voor. Stadsplattegronden hebben door alle eeuwen heen een brede spreiding. Soms zijn er opmerkelijk volledige clusters te vinden, vaak doen zich ook verrassende hiaten voor.

Er is ook iets te zeggen over de wijze waarop grootschalige kaarten in de UB- en KNAG-verzamelingen vertegenwoordigd zijn. Komen de KNAG-kaarten in meerderheid in losse vorm voor, de UB-tegenhangers komen we met een wat hogere frequentie tegen in gebundelde vorm. We noemden al de atlassen factice; zij bevatten een schat aan dit type kaarten. Daarnaast zijn praktisch alle stedeboeken in de UB aanwezig: Braun-Hogenberg, Blaeu, Janssonius, De Wit.

Concordanties op de topografische studies van Dr. Y.M. Donkersloot-de Vrij en Prof. Dr. C. Koeman, aanwezig op de Kaartenzaal geven een goed inzicht in de dekking van de grootschalige kartografie van Nederland.

Collectie Muller

Een tot voor kort beslist ondergewaardeerd onderdeel van het KNAG-bezit is de al eerder ter sprake gekomen "Collectie Muller". Nu in de voetsporen van Koeman de kartobibliografische activiteiten een grote vlucht genomen hebben, blijkt deze collectie losse atlaskaarten een onschatbaar hulpmiddel te zijn geworden in de bijna onontwarbare jungle van de analytische bibliografie van Nederlandse atlassen. De geheel herziene tweede uitgave van Koemans Atlantes Neerlandici, momenteel onder handen van kaarthistoricus Peter van der Krogt, profiteert voor het onderzoek - alleen al 90% van de vele afbeeldingen wordt in de UB vervaardigd - van deze verzameling. Maar ook voor menige regionaal bibliografische studie heeft de Collectie Muller zich bewezen: alle uitgaven en staten van kaarten van ťťn regio zijn bij elkaar opgeborgen. In combinatie met de bijna vijfhonderd oude atlassen en kaartboeken in de UB werd menig research-puzzelstukje op de goede plaats gelegd. Helaas ging het KNAG, door financiŽle nood gedwongen, in de jaren zestig ertoe over om "doubletten" te verkopen, waardoor van de oorspronkelijke 14.371 titels uiteindelijk een kleine tienduizend kaarten restten. Gezien de veranderde opvattingen over wat als doublet te beschouwen is, moet gevreesd worden - en is in sommige gevallen ook aan te tonen - dat de collectie niet alleen een kwantitatief maar ook kwalitatief verlies geleden heeft. Het samenspel tussen de Collectie Muller en het grote atlassenbezit van de UB heeft diverse kanten. Met behulp van de atlassen is het goed mogelijk om de origine van de losse kaarten te traceren en het jaar van uitgave vast te stellen. Anderzijds beginnen de losse kaarten een steeds belangrijker rol te spelen in het totale conserveringsbeleid in de UB, waarbij de kwetsbare atlasbanden praktisch alleen voor onderzoekers beschikbaar komen als de goed hanteerbare losse kaarten geen oplossing kunnen bieden. Bovendien lenen de losse bladen zich uitstekend voor expositie en fotoreproductie. Het is terecht dat de collectie aangeduid wordt als een verzameling atlaskaarten, meest van Nederlandse origine, uit de 16e tot en met de 18e eeuw. Dit neemt niet weg dat er vele honderden zelfstandig uitgegeven kaarten in voorkomen, waarvan sommige als zeldzaam aangemerkt kunnen worden. De kaarten worden binnenkort voorzien van nieuwe pH-neutrale omslagen. Aan de mammoetarbeid van invoer in de computer wordt met vallen en opstaan gewerkt, maar de handgeschreven catalogusfiches van Van der Koogh vormen nog steeds de enige - beperkte maar complete - toegang.

De Athlas Royal

In het vierde vervolg van de catalogus der boeken en kaarten treffen we op bladzijde 69 de volgende, op het eerste gezicht wat cryptische beschrijving aan van een geschenk aan het Genootschap door J.P. Six: "Kaartenboek nį.I, bevattende kaarten van de Nederlandsche provinciŽn vooral uit de twee vorige eeuwen en van de beste makers en graveurs, op zwaar papier, gr. folio, 60 bij 50 cM". Dit gaat, oppervlakkig gespecificeerd, zo door tot en met "nį.VI, AziŽ, Afrika en Amerika. Als boven". Dit kan niet anders zijn dan de Athlas Royal, een van de drie volumineuze atlassen factice die in de UB berusten. De andere twee, de Atlas der Neederlanden en de Atlas Maior van de gebroeders Reinier en Josua Ottens, zijn eigendom van de UB zelf. Het zou een artikel op zich waard zijn om deze atlas te analyseren, vandaar dat we er hier beperkt aandacht aan wijden. De zesdelige, losbladige atlas bevat per deel zo'n honderd gedrukte, handgekleurde kaarten die in een onberispelijke staat verkeren. Alle kaarten, ook de zeer kleintjes, zijn door gebruik van uniform opzetpapier tot een eenheid gesmeed. Zij dateren voornamelijk uit de 18e eeuw. Er komen weinig meerbladige kaartwerken in voor. Naast de overzichtskaarten zijn niettemin kaarten met een overwegend topografisch karakter goed vertegenwoordigd. Deel 1 behelst Nederland in 102 kaarten, deel 2 begint met een aantal wereldkaarten, waarna successievelijk volgens het bekende stramien alle gebieden op aarde aan bod komen. De tijdgeest wordt weerspiegeld door de overvloed aan buitenlandse kaarten die opgenomen is, weliswaar door de onbekende samensteller van dit familiestuk tot een fraai geheel gecomponeerd. De namen van Moll, Overton, Bowles, Nolin, Homann enz. enz. sieren de gravures. Het werk van Covens & Mortier, Ottens, Van Keulen en vele andere Amsterdamse uitgevers uit de 18e eeuw vormt het draagvlak van deze kaartboeken.

Oude zeekaarten op perkament

Aansluitend op dit geschenk is in een adem te noemen de collectie zeekaarten op perkament die ook door J.P. Six aan het Genootschap werd afgestaan. De kaarten zijn zojuist overgeplaatst naar de grote ladenberging die gecreŽerd is in een extra magazijn van de nieuwe Kaartenzaal. Omdat zij nu in ťťn laag per lade ondergebracht zijn, is het voor het eerst mogelijk om deze collectie enigszins gemakkelijk te overzien. De paskaarten van de Bay van Gala en de Valsche Bay, de Bay van Nilewelle (Ceylon), Aria Attol zijn voorbeelden van handschriftkaarten. Ook Sumatra (1710) en de paskaart van Straat Soenda (1739) door Izaak de Graaf behoren ertoe. Een handgetekende paskaart van Hessel Gerritsz stamt uit 1631. Een dito paskaart van de Chinese Zee is voorzien van de aanduiding: "1697 't Amsterdam Bij Joan Blaeu". De Pascaarte van alle de Zee-custen van Europa, nieulycx beschreven en verbetert door Willem Pieter en Joan Blaeu uit 1677 is een gedrukte kaart. De aanwezigheid van deze hoogwaardige collectie moet in 1912 de doorslag hebben gegeven om tot aankoop over te gaan van de drie overzeilers die Pieter Goos uitgaf aan het einde van de jaren vijftig van de 17e eeuw. Het zijn de paskaart van Europa, getekend door Dirk Rembrantsz Van Nierop, de Westindische paskaart en de paskaart van de Indische Oceaan. De laatste - bijzonder rijk gedecoreerd - laat als primeur de contouren van AustraliŽ zien. Dat deze paskaarten altijd erkend zijn als uitgesproken topstukken van de KNAG-collectie blijkt nog eens uit berichten dat de internationale congresgangers in 1938 speciaal voor dit materiaal een grote belangstelling aan de dag legden.

Bij deze kaarten zijn in de loop der tijd ook een aantal soortgelijke kaarten op perkament van de UB zelf ondergebracht. Recente aanwinsten van een vergelijkbaar kaliber zijn de grote vierbladige paskaart van Europa door Lucas Jansz Wagenaar uit 1589 en de paskaart van Europa op vier bladen door Willem Jansz Blaeu uit circa 1625, beide unica.

Hydrografische kaarten van het Departement van Marine

Een geheel andere collectie zeekaarten, tot voor kort praktisch onontgonnen terrein, werd (zie boven) aan het KNAG geschonken door het Departement van Marine. Het is het toenmalige kaartenarchief van het Departement, zich chronologisch uitstrekkende over het eind van de 18e tot en met de gehele 19e eeuw, later blijkbaar door regelmatige aanvullingen van de Hydrografische Dienst up-to-date gehouden. Late uitgaven van het uitgevershuis Van Keulen, tot en met de uitgaven van Jacob Swart, komen in grote hoeveelheden voor, maar er zijn ook een aantal vroeg 18e-eeuwse zeekaarten bij. De oudste karteringen van de Koninklijke Marine uit de jaren veertig van de 19e eeuw vinden we ertussen, gemaakt van de Nederlandse wateren en van de kusten van de koloniŽn, maar ook oude uitgaven van de Amerikaanse en Engelse hydrografische diensten. Alles in vele verschillende opeenvolgende uitgaven. In de loop der tijd zijn gelijksoortige hydrografische kaarten van verschillende herkomst met deze collectie verenigd, zoals mag blijken uit de kaarten die gestempeld zijn "J. Boelen". De weduwe Boelen, zo blijkt uit de oudste lijsten van het KNAG, heeft na het inhuizen in de UB zeer vele zeekaarten aan de kaartencollectie geschonken. Kapt. t.z. J. Boelen zelf maakte in 1826 een reis om de wereld, hetgeen weerspiegeld wordt in de nagelaten kaarten. Ook de Weduwe Baars verrijkte op deze wijze de collectie zeekaarten met prachtige aanwinsten. Door deze gemengde collecties komen tussen de gedrukte officiŽle zeekaarten ook heel wat onvoorspelbare handschriftkaarten voor. Ook thematiek ontbreekt niet in deze collectie: zelfs de frequentie van het voorkomen van walvissen is uitgebreid in kaart gebracht. Het materiaal zal voor toekomstig onderzoek een "Fundgrube" blijken te zijn. Tot op heden gaf de geringe belangstelling voor dit type materiaal weinig aanleiding om een diepgaande ontsluiting hoog op de prioriteitenlijst te zetten. Voor hun eigen onderzoek maakten de hydrografische onderzoekers Wim Ligtendag en Tialda Haartsen, verbonden aan het Arctisch Centrum in Groningen, recentelijk een zeer verhelderende globale inventarisatie.

Met het bespreken van deze hydrografische collecties is het nog niet afgelopen met de zeekaarten. In de kaartenkasten zijn verspreid nog vele tientallen belangrijke en honderden minder spectaculaire kaarten op nautisch gebied te vinden.

Wandkaarten op stokken en schoolatlassen

Ook deze massaal aanwezige categorie heeft de laatste tijd wat meer aandacht gekregen dan voorheen. Het KNAG bezit honderden schoolwandkaarten op stokken en schoolatlassen. De schoolatlassen zijn inmiddels (zoals praktisch alle atlassen in de UB) opgenomen in de online catalogus. Vele zijn geplaatst in het magazijn van de Kaartenzaal maar nog veel meer zijn verspreid aanwezig in de andere UB magazijnen. Voor de schoolwandkaarten is enkele jaren geleden een nieuwe berging ingericht. Het zijn niet alleen schoolwandkaarten; voor bijzondere presentaties werden soms vele bladen van topografische kaarten op stokken gezet. De langste telt vele meters!

Zowel de schoolatlassen als de schoolwandkaarten van het KNAG hebben in de loop der jaren gezelschap gekregen van nog grotere aantallen van dergelijke onderwijsmiddelen uit de pedagogische bibliotheek van het Nederlands Onderwijzers Genootschap en de historische verzameling van het voormalige "Nederlandsche Schoolmuseum" uit Utrecht. De eerste is een oud bruikleen, de laatste collectie werd integraal aan de UB geschonken in 1974. Vele instituten schonken en schenken nog steeds hun verouderde of anderszins overbodig geworden kaarten op stokken aan de UB. Mits de kwaliteit aanvaardbaar is worden ze opgenomen. Door aankopen op veilingen en zelfs koopjes tijdens de middagpauze op het Waterlooplein zorgde de UB in de afgelopen decennia voor het opvullen van vele hiaten. Uiteindelijk saldo is een gezamenlijke onderzoekscollectie van bijna duizend (school-)wandkaarten uit de 19e en 20e eeuw en veel meer dan duizend schoolatlassen.

Vier zeldzaamheden tot besluit

Tot slot van deze vogelvlucht door de verzameling nog een paar losse "merkwaardigheden". De oudste zelfstandig uitgegeven kaart die de KNAG-collectie rijk is, dateert uit 1581. Het is een even zeldzame als fraaie plattegrond van Bologna, een Italiaans produkt uitgegeven door Giovanni Rossi. De kaart bestaat uit twee aaneen gezette centrale bladen in kopergravure en wordt omgeven door een typografische tekstrand, bij elkaar metende 87,5 x 115 cm. De kaart wordt bekroond door het pauselijk wapen van Gregorius XIII, geflankeerd door de wapens van kardinaal Paleotti en het stadwapen van Bologna. Overigens, de oudste atlaskaarten (die in de Collectie Muller voorkomen) dateren uit 1570. Het zijn de bladen die gekomen zijn uit eerste edities van Ortelius' Theatrum Orbis Terrarum.

Hij werd al genoemd, de kleine aardglobe door Willem Janszoon Blaeu. Dit kleinood is de enige globe van het KNAG. Deze kleinste globe die Blaeu verkocht heeft een diameter van slechts 10 cm. Hij werd voor het eerst uitgegeven in 1616 maar deze latere staat dateert van na 1621. Voordien bediende Blaeu zich nog van de naam "Willem Jansz" of "Guiljelmus Janssonius". Om zich van zijn concurrent Johannes Janssonius te onderscheiden paste hij de naam op zijn uitgaven aan en werd het "Willem Jansz. Blaeu". Het jaartal is nog steeds 1616 maar de naam is in het impressum al veranderd in "Blaeu". Pas nadat recentelijk in de catalogus van Frederik Muller gevonden was dat ergens op de horizonring het jaartal 1634 gedrukt moest staan, kon dit alsnog met zeer veel moeite vastgesteld worden. Deze globe, die ooit in een tellurium toegepast werd, is de eerste wereldbol die Blaeu uitgaf.

Van de 17e-eeuwse wandkaarten verdient de zesbladige kaart van China aparte vermelding. Hij wordt bewaard in losse bladen, zoals hij van de plaatpers kwam. Het is een zeer zeldzaam produkt uit circa 1658. Het was in die dagen een zeer moderne kaart omdat hij gebaseerd is op de kaarten van China die de Jezuiet Martino Martini, een missionaris in China, vervaardigd had op basis van Chinees kaartmateriaal. Zij zagen voor het eerst het licht in 1655, toen Joan Blaeu ze als onderdeel van zijn atlas uitgaf. De kaart wordt vermeld in de tentoonstellingscatalogus van de Blaeu-expositie die in 1952/53 in het Maritiem Museum te Rotterdam werd gehouden. Mogelijk zijn toen, om de kaartbladen mooi aan te laten sluiten, de marges scherp omgevouwen. Dit, en de algemene staat waarin de kaart verkeerde, was voldoende aanleiding om hem onlangs een conserverende restauratie te laten ondergaan.

Er zijn vele curiositeiten in de collectie van het KNAG te vinden zoals kartografische puzzels, zinnebeeldige- en humoristische kaarten, reliŽfkaarten van gips, kaarten gedrukt op zijde, enzovoorts. Als laatste, kostbaar curiosum noemen we hier een kaart (of atlas) van de Japanse prefecturen, gekleurde houtsneden, veertig in getal, opgerold met een lengte van zestien meter. Het geheel is zichtbaar uit kostbare materialen vervaardigd. Aan heel wat Japanse bezoekers werd de rol getoond met het verzoek om commentaar. De reactie was steevast dat het iets heel bijzonders is, vervaardigd in de tweede helft van de 17e eeuw. Hij wordt wat onopvallend vermeld op bladzijde 38 in de catalogus van Dornseiffen: "Japan. Groote kaart. Met Japanschen tekst op rol. hoog 28 cm". Niettemin weten we dankzij het zorgvuldige werk van Dornseiffen dat hij al in 1878 in de collectie aanwezig was en wie hem ook al weer aan het Genootschap heeft geschonken: J. Kuyper. Wat is toepasselijker dan te besluiten met de wens dat nog vele schenkers de collecties in de UB in de toekomst mogen verrijken?

Literatuur

De Amsterdamse omnibuskaart van 1839. - Amsterdam : Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap, 1989.

Reproductie op ware groote naar het origineel in de Universiteitbibliotheek Amsterdam, met een afzonderlijke toelichting door Marc Hameleers en Jan Werner.

Beekman, A.A., Catalogus van kaarten, enz., betrekking hebbende op de oudere en tegenwoordige gesteldheid van Holland's Noorderkwartier, aanwezig op de tentoonstelling in het stedelijk museum te Amsterdam gedurende de maand September 1917 / [samengesteld en ingeleid door A.A. Beekman]. - Leiden : Boekhandel en Drukkerij voorh. E.J. Brill, [1917]. - Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap.

Beekman, A.A., Catalogus van kaarten, enz., betrekking hebbende op de oudere en tegenwoordige gesteldheid van Holland tusschen Maas en IJ, aanwezig op de tentoonstelling in het Stedelijk Museum te Amsterdam in September en October 1921 / [samengesteld en ingeleid door A.A. Beekman]. - Leiden : Boekhandel en Drukkerij voorh. E.J. Brill, [1921]. - Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap.

Beenakker, Jan, Van Alkmaar tot Grootebroek : kaarten van negen oude Noordhollandse steden : catalogus van de gelijknamige tentoonstelling in de Universiteitsbibliotheek te Amsterdam van 29 november tot en met 20 december 1991 / samengesteld door Jan Beenakker en Jan Werner. - Amsterdam : Universiteitsbibliotheek, 1991.

Berg, N.P. van den, De ontwikkeling van Amsterdamse Stadsbibliotheek tot Universiteitsbibliotheek van Amsterdam in de negentiende eeuw. - In: De negentiende eeuw : de wereld van het boek in de negentiende eeuw, 20/1 (mrt. 1996) pp. 75-91.

Brink, Paul van den, Gesneden en gedrukt in de Kalverstraat : de kaarten- en atlassendrukkerij in Amsterdam tot in de 19e eeuw / onder redactie van Paul van den Brink en Jan Werner. - Utrecht : Hes Uitgevers, 1989. - Catalogus bij de gelijknamige tentoonstelling georganiseerd door het Amsterdams Historisch Museum in samenwerking met de Universiteitsbibliotheek Amsterdam (26 juni-3 september 1989).

Brink, P.P.W.J. van den en P. Moree, Met kapmes en kompas : vier eeuwen Nederlandse ontdekkingen en reisverslagen / P.P.W.J van den Brink en P. Moree. - Den Haag : Koninklijke Bibliotheek, 1996. - (Tentoonstellingscatalogi en -brochures van de Koninklijke Bibliotheek ; 54).

Burger, C.P., Catalogus geographie en reizen van de Bibliotheek der Universiteit van Amsterdam : eerste gedeelte / C.P. Burger jr. - Amsterdam : Universiteitsbibliotheek, 1923.

Catalogue de l'exposition internationale de la cartographie officielle. - Leiden : Brill, 1938. - CongrŤs International de Gťographie, Amsterdam 1938 18-28 juillet.

Catalogus catalogorum ad collectiones Bibliothecae Universitatis Amstelodamensis pertinens : Josepho Renero Defraipont LXV annos nato a discipulis collegisque oblatus Amtelodami in Bibliotheca Universitatis MCMLXXXI. - Amsterdam : Universiteitsbibliotheek van Amsterdam, 1982. - (Speciale catalogi, Nieuwe serie ; 14).

Concordantietabel op: C. Koeman, Handleiding voor de studie van de topografische kaarten van Nederland 1750-1850 : stand op 31 december 1976. - Amsterdam : Universitetsbibliotheek, 1976.

Dornseiffen, I., Catalogus der boeken en kaarten van het Aardrijkskundig Genootschap op 1 juli 1878 / [samensteld door I. Dornseiffen]. - Amsterdam : Aardrijkskundig Genootschap, 1878.

Met vijf vervolgen, tot en met 1881.

Geannoteerd ex. op de Kaartenzaal voorafgegaan door de handgeschreven titel: "Inventaris der boeken, kaarten en andere voorwerpen overgedragen door het Bestuur van het Aardrijkskundig Genootschap aan de Universiteits Bibliotheek volgens kontrakt van bruikleen tusschen het Aardrijkskundig Genootschap en de Universiteits Bibliotheek 1880".

Dornseiffen, I., Lijst der kaarten in bezit van het Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap op 1 januari 1887 / [samengesteld door I. Dornseiffen]. - Amsterdam : Stadsdrukkerij, 1887.

Gťographie, voyages : Amťrique, Afrique, Australie, Russie, Indes Orientales, Chine, Japon, Rťgions polaires, Marine etc. ... : catalogue ŗ prix marquťs. - Amsterdam : Frederik Muller & Cie, 1910.

Een geannoteerd ex. op de Kaartenzaal van de UB bevat o.m. aantekeningen m.b.t. de door het KNAG aangeschafte nummers.

Gťographie, voyages, cartographie : nouvelles acquisitions : catalogue ŗ prix marquťs. - Amsterdam : Frederik Muller & Cie., 1911.

Gids voor de Bibliotheek der Universiteit van Amsterdam : met catalogus van incunabelen en andere verzamelingen, voorjaar 1919. - Amsterdam : [Universiteitsbibliotheek], 1919.

Guide to the Map Room : cartographic collections for research in the Amsterdam University Library. - Amsterdam : Universiteitsbibliotheek Amsterdam, augustus 1996.

Haartsen, Tialda, en Wim Ligtendag, Globaal overzicht van hydrografische kaarten in de UB Amsterdam / Tialda Haartsen en Wim Ligtendag. - 1996. - 16 p.

Homan, H.J.A., Het beeld der aarde : de Nederlandse schoolatlas 1880-1940 : catalogus van de tentoonstelling "Het beeld der aarde" in de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam van 7 oktober tot en met 7 november 1985 / samengesteld door H.J.A. Homan, C. Koeman en J.W.H. Werner. - Alphen aan den Rijn : Canaletto, 1985. - (Kartografie in de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam ; 3) - Uitgegeven i.s.m. de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam).

[Inventaris Athlas Royal]. - Amsterdam : Universiteitsbibliotheek, [s.a.].

Kleijn, Koen, Schutters en studenten : de geschiedenis van de Universiteitsbibliotheek / Koen Kleijn. - Amsterdam : Stadsuitgeverij, 1992.

Koeman, C., Bibliography of printed maps of Suriname 1671-1971 / by C. Koeman. - Amsterdam : Theatrum Orbis Terrarum, 1973.

Koeman, C., Collections of maps and atlases in the Netherlands: their history and present state / C. Koeman. - Leiden : Brill, 1961. - pp. 183-186.

Ortelius, Abraham, Theatrum Orbis Terrarum / Abraham Ortelius ; [facs. repr.] with an introduction by R.A. Skelton. - Amsterdam : N. Israel ; Meridian, 1964. - (Theatrum Orbis Terrarum series of facsimile atlases, 1st series; 3). - Facsimile van de eerste uitgave: Antwerpen 1570; gereproduceerd naar het origineel van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap in de UB Amsterdam.

Pelzers, E., Inventaris van het archief van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap 1873-1967 / door E. Pelzers. - Utrecht : Rijksarchief Utrecht, 1990. - (Inventaris 74).

Rogge, H.C., Geschiedenis der Stedelijke Boekerij van Amsterdam / door H.C. Rogge. - Amsterdam : Y. Rogge, 1882.

Schrader, R., Honderd jaar Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap 1873-1973 / door R. Schrader. - Amsterdam : Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap, 1974. - (Geografisch Tijdschrift, Nieuwe reeks ; VIII, 4).

Sijmons, A.H., Amsterdamse kaartmakers 1544-1975 : catalogus van de Elsevierexpositie in samenwerking met de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam 2 oktober t/m 1 november 1975 / [samengesteld door A.H. Sijmons]. - Amsterdam : Elsevier, 1975.

Sijmons, Albert H., Catalogue of atlases : volume I : atlases published before 1801 / compiled by Albert H. Sijmons. - Amsterdam : Universiteitsbibliotheek, 1987.

In typoscript.

Sijmons, A.H., Concordantietabel op: S.J. Fockema Andreae en B. van 't Hoff, Geschiedenis der kartografie van Nederland / [A.H. Sijmons]. - [Amsterdam : Universiteitsbibliotheek van Amsterdam, s.a.].

Sijmons, A.H., De kaartenverzameling der Universiteitbibliotheek van Amsterdam / A.H. Sijmons. - Amsterdam : Universiteitsbibliotheek, 1976.

Voorbeijtel Cannenburg, W., De Blaeu's : beschrijvers van land-, hemel- en waterwereld / [ingeleid door W. Voorbeijtel Cannenburg]. - Rotterdam : Maritiem Museum "Prins Hendrik", 1952.

Tentoonstellingscatalogus, 12 december 1952 - 9 februari 1953.

Werner, Jan W.H., Catalogus tentoonstelling Westeuropese steden in de 19e eeuw : kaarten, plattegronden, panorama's / [samengesteld door Jan W.H. Werner]. - Amsterdam : Universiteitsbibliotheek, 1983.

Werner, Jan, Inde Witte Pascaert : kaarten en atlassen van Frederick de Wit, uitgever te Amsterdam (ca. 1630-1706) : catalogus bij de gelijknamige tentoonstelling in de Universiteitsbibliotheek Amsterdam, gehouden naar aanleiding van de voltooide restauratie van vijf monumentale wandkaarten 23 september - 4 november 1994 / Jan Werner. - Amsterdam : Universiteitsbibliotheek, 1994. - Uitgegeven i.s.m. Canaletto, Alphen aan den Rijn.

Werner, J.W.H., De nieuwe Kaartenzaal van de Universiteitsbibliotheek Amsterdam officieel geopend / J.W.H. Werner. - In: Kartografisch Tijdschrift XXII (1996) 1. - pp. 23-28.

Werner, Jan W.H., Typus orbis terrarum : de wereldkaart door Abraham Ortelius uit 1570 / een korte toelichting bij de facsimile-uitgave door Jan W.H. Werner. - [Utrecht : Komori, 1991]. - Toelichting + facsimile op ware grootte naar het origineel in de Collectie Muller van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap.

Zoete, Hugo de, Concordantietabel op: Y.M. Donkersloot-De Vrij, Topografische kaarten van Nederland vůůr 1750 : stand op 1 januari 1989 / Hugo de Zoete. - Amsterdam : Universiteitsbibliotheek van Amsterdam, 1989.

Afbeeldingen:

Afb.1. De Handboogdoelen, Singel 423

Afb.2. Dr. H.C. Rogge, olieverfschilderij uit 1899 door Th.H.A.A. Molkenboer

Afb.3. Dr. I. Dornseiffen

Afb.4. Handgeschreven titel van de overdrachtscatalogus door I. Dornseiffen

Afb.5. Een bladzijde uit het in de UB bijgehouden journaal

Afb.6. De Blaeu-globe uit ca. 1634, zoals afgebeeld in de catalogus van Antiquariaat Frederik Muller & Co., 1910.

Afb.7. De Kaartenzaal eind jaren twintig

Afb.8. Een handgeschreven catalogusfiche van de Collectie Muller

Afb.9. Dr. h.c. Ernst Crone

Afb.10. "Leo Hollandicus" uit de Collectie Muller

Afb.11. Titelblad van de Athlas Royal

Afb.12. Paskaart van de Indische Oceaan, uitgegeven te Amsterdam door Pieter Goos in ca. 1658.

Afb.13. Plattegrond van Bologna, uitgegeven te Bologna door Giovanni Rossi in 1581

1 januari 1965: (Sleurink en Brouwer: 30.100 kaartbladen)

Boeken: 10925, waaronder de atlassen)

Derde vervolg 1879-1880:

Geschenken mw. Wed. J. Boelen

Plattegronden en kaarten uit Utrecht: Du Roy, V.d. Monde

Topogr. Atlas der Schweiz (gesch W.F. Versteeg)

Verschillende zakatlasjes.

Vele kaarten betr. Ned. Antillen, Suriname en Indie

Vierde vervolg 1880-1881:

Kaartenboek I t/m VI, vermoedelijk Atlas Royal 60 x 50 cm (p. 69) geschonken door J.P. Six

+ enorme verdere schenking van Six: vele waterschapskaarten, paskaarten in handschrift op perkament (ceylon, Atolls, Atlantische Oceaan, Europa 1677 Blaeu, paskaart Sumatra

Vijfde vervolg 1881:

Rivierkaarten

Topgr. Kaarten

Zeeatlas of waterwereld 1675 P. Goos (Six)

Atlassen:

Zeeatlas ofte Waterwereld 1683 (38 gr. folio krtn)

Le Neptune francois

Tweedelige atlas maior Ottens

Atlas zeevaart en koophandel Renard

Atlas vandermaelen 5dln 1827 1:1.600.000