Ik ben een man van de lijn Wim Crouwel, van de Zwitserse typografie. Met die
richting ben ik opgegroeid en daar voel ik veel affiniteit mee. Maar ook andere
typografie kan ik bewonderen, bijvoorbeeld de meer klassieke boeken van Walter
Nikkels. Hij was in Dordrecht jarenlang mijn buurman. Die verfijning en die poëzie
in de typografie vind ik heerlijk, en die trof ik ook aan bij Reynoud Homan.
Als student en jonge architect hechtte ik al veel waarde aan belettering en
bewegwijzering. Voor een kantoor voor Henkel in Amstelveen [1968–72] heb ik met
een medewerker van het bureau ook de letters in en op het gebouw gedaan. Dat
vonden we leuk. Bij de uitbreiding van het Rijksmuseum Kröller-Müller [1970–77]
werkte ik samen met Otto Treumann, die de huisstijl deed. Later heeft Reynoud er
de buitenbewegwijzering verzorgd.

Van het eerste boek dat Reynoud van mijn werk maakte, was ik niet de opdrachtgever
maar de dankbare patiënt. Dat was deel één van de Monografieën van Nederlandse
architecten [1989], een reeks geïnitieerd door het Prins Bernard Fonds. Het
was een heerlijk gevoel, herinner ik me, toen Reynoud mij de eerste ontwerpbladen
liet zien. We bespraken hoe de foto’s geplaatst zouden worden maar het was voor
mij meer luisteren dan willen sturen. Ik vond overigens wel essentieel dat er tekeningen
in kwamen, dat je een gebouw documenteert, dat je ziet hoe het in elkaar
zit. Die tekeningen zijn toen met de hand gemaakt. Reynoud heeft het door hem
voor de Nederlandse architecten-reeks vastgestelde formaat bij volgende overzichten
van mijn werk aangehouden. Je probeert aan een oeuvre te werken en ik vind
dan van belang dat je de lijn ziet die een architect zijn leven lang heeft gevolgd. Het
moet ook een zekere tijdloosheid hebben.
Kim Zwarts, die de foto’s voor die eerste monografie maakte, is tot op vandaag
de fotograaf van mijn werk. Wat hij maakt is van een uitzonderlijk niveau. Ik heb
hem wel eens iets gezegd over een foto, dat ik daar iets in miste wat wel in zijn
eerdere foto’s aanwezig was. Hij antwoordde toen: ‘Dat was jeugdwerk; ik ben nu
vrijer’. Dat vond ik even slikken maar dat moet je dan gewoon accepteren.
Als een lijn in iemands werk goed is, moet je zo iemand de ruimte geven. Dat heb
ik geleerd bij de nieuwbouw voor het Kröller-Müller. Rudy Oxenaar en Ellen Joosten,
de toenmalige directie, duwden me nooit in een bepaalde richting. Ze keken naar
mijn tekeningen — ik heb talloze schetsen gemaakt van het ontwerp — en stelden
vragen waarin vooral aandacht doorklonk. Die houding heeft me zo gevormd!
Buiten die monografieën met projectbeschrijvingen valt het boek Museum
Beelden aan Zee [1998]. Die opdracht kreeg Reynoud van de stichters, het echtpaar
Scholten-Miltenburg. Ik had hem aanbevolen. Later ontwierp ik voor dit museum
een glazen wand om het parkeerterrein af te scheiden. Maar glas heeft als nadeel
dat vogels het niet zien. Er moest dus iets op. Scholten kwam toen met het idee
niet de naam van het museum op die glaswanden te zetten maar ze te voorzien
van literaire teksten. Hij riep in 1997 een stichting in het leven, De transparant, die
zestien Nederlandstalige auteurs de opdracht gaf een tekst te schrijven. Toen zei ik:
‘Dan gaat Reynoud de typografie van die glazen wand doen’. Het is wonderbaarlijk
mooi geworden. We werken nu samen aan boulevardbelettering voor Beelden aan
Zee.
Een andere opdracht waarbij ik Reynoud heb voorgesteld, is die voor de scheepsbouwloods
van Van der Giessen-De Noord in Krimpen aan de IJssel [1978–82]. Het
was de grootste scheepsbouwloods van Europa: 265 meter lang, 97 meter breed en
52 meter hoog. Ik had op de deur laag een grote G gemaakt, zo’n twee meter hoog.
Maar dat werkte niet want ze wilden dat het vanaf de Van Brienenoordbrug herkenbaar
was. Reynoud heeft toen met foto’s laten zien dat je zijn ontwerp zelfs nog
vanaf een kilometer kon lezen. En daar ging het ze om. Zijn belettering in metaal
staat voor op de kop en ook op een zijkant. We hadden vervolgens een gesprek
met de directie over de mogelijkheid meer eenheid te brengen in die ratjetoe van
loodsen en kranen, en hij kwam met het idee al die kranen een vaste kleur te geven.
Het verloopt altijd harmonieus tussen Reynoud en mij; je inspireert elkaar. Ik
vind de typografie een prachtige wereld in zijn zorgvuldigheid, tot op microniveau
toe bij wijze van spreken. Je moet een goed oog hebben om typografische kwaliteit
werkelijk te onderkennen. Het is pas af na een heel intensief proces. Dat niveau
halen wij in de architectuur nauwelijks.